Kies een pagina bij: of
7daweb.com
 Profiel Zevende-dags Adventisten laatste wijziging 14 maart 2000 

voorpagina > profiel

De daad bij het woord - profiel van de Zevende-dags adventisten (Reinder Bruinsma)

Samenvatting door G. Roelofs

Hoofdstuk 1 – Ontstaan en groei van een wereldkerk

De Miller-beweging

De volgelingen van William Miller (Pittsfield, 1782-1849) waren overtuigd van het ophanden zijnde einde van de wereld. Data in 1843 en 1844 zijn genoemd. Er was een grote belangstelling voor het "duizendjarig rijk" van Openbaring 20. Op grond van zijn studie kwam Miller tot de overtuiging dat op grond van Daniël 8:14 de wederkomst van Christus "omstreeks het jaar 1843" mocht worden verwacht. Dit op basis van een reeks uitlegkundige principes (o.a. jaar-dag) die hij toepaste bij de interpretatie van de bijbelse profetieën. Zo bleken volgens Miller de kleine hoorn in Daniël 7 en het ‘beest uit de zee’ in Openbaring 13:1-10 naar de Rooms-Katholieke Kerk te verwijzen.

Vanaf 1843 komt de oproep aan de aanhangers om zich uit andere kerken terug te trekken. Door hun afwijzing van Millers denkbeelden waren deze kerken deel van "Babylon" geworden en volgens Openbaring 18:4 was het zaak dat de ware gelovigen zich uit Babylon terugtrokken.

Als laatste datum werd 22 oktober 1844 genoemd, maar een groep aanhangers distantieerde zich hiervan. De bewuste dag kwam en verstreek zonder dat de Heer kwam, wat tot een grote verwarring leidde. Tot vandaag spreken adventisten over "de grote teleurstelling".

De sabbatvierende adventisten

Na een aantal jaren kristalliseerden zich uiteindelijk een aantal groeperingen. De grootste daarvan ontwikkelde zich na verloop van tijd tot de Advent Christian Church. Bij een aantal groepen ging men op de zevende dag rustdag vieren. Volgens dezelfde groep was in oktober 1844 "de deur van genade" gesloten. De berekening was juist geweest, maar het "heiligdom" dat "gereinigd" zou worden was het hemels heiligdom waarvan in de Hebreeënbrief sprake is. Christus was in 1844 in dit hemels heiligdom begonnen met de laatste fase van zijn hogepriesterlijk werk.

In 1848 werden een aantal "Sabbat conferenties" georganiseerd door de leiders van een groeiende groep sabbatvierende adventisten. Deze bijeenkomsten bevorderden de theologische standpuntbepaling. In de "boodschap van de derde engel" van Openbaring 14:9-11 zag men de proclamatie van de bijbelse sabbat. Daarnaast kwam eenstemmigheid over de voorwaardelijke onsterfelijkheid van de mens, ten aanzien van de doop door onderdompeling en de ceremonie van de voetwassing voorafgaande aan het avondmaal.

Een van de belangrijkste leiders was James White, en zijn vrouw Ellen G. White vervulde een unieke, en in toenemende mate invloedrijke, rol als de profetische stem van de beweging.

Oorspronkelijk waren de adventisten wars van elke organisatorische structuur. Volgens sommigen van hen zou zelfs de eenvoudigste vorm van organisatie hen automatisch tot Babylon bestempelen. Praktische overwegingen brachten echter geleidelijk aan verandering in die opvatting. In mei 1863 werd de Generale Conferentie opgericht als overkoepelend orgaan voor de circa 125 gemeenten met in totaal ongeveer 3.500 leden. In 1901 slaagde de Generale Conferentie erin een efficiënter organisatiemodel met een grotere decentralisatie van macht in te voeren.

Langzame, maar gestage groei

De verkondiging gebeurde in belangrijke mate door "geschriften-evangelisatie", een colportagesysteem. Twee andere zaken droegen bij tot versterking van het adventistisch getuigenis. Dit waren "systematic benevolence" (systematisch geven) en de sabbatsschool voor zowel kinderen als volwassenen.

Theologische ontwikkelingen

De leerstellige basis voor het adventisme was in de periode voor 1863 gelegd. Discussies waren er in de loop van de tijd over:
1.of de verzoening uitsluitend het resultaat was van Christus’ kruisdood, of dat deze pas werd voltooid tijdens een "onderzoekend oordeel" dat sinds 1844 plaatsvond in het "hemels heiligdom";
2.vragen die samenhingen met het sterven van de mens en diens opstanding uit de dood;
3.wat onder de "wet" in de brief aan de Galaten moet worden verstaan;
4.welke politieke machten exact door de tien tenen van het beeld van Daniël 2 werden aangeduid;
5.rechtvaardiging door het geloof alleen of behoud door het naleven van de wet.

Van Amerikaanse sekte tot wereldkerk

De kerk groeide stel tot 8 miljoen leden in 1994. Opmerkelijk is het handhaven van een opmerkelijke interne eenheid en het feit dat zich slechts een uiterst klein aantal afsplitsingen heeft voorgedaan (de Reformbeweging in Duitsland, de Branch Davidians in Texas).

Nederland

In 1887 sloten een aantal baptisten, waaronder de discussie over de sabbat was ontstaan, zich aan bij de Adventisten na een bezoek van L.R. Conradi, de leider van de adventisten in Midden-Europa. In 1896 werden adventistengemeenten in Rotterdam en Amsterdam opgericht. Na een crisis in 1902 over het sabbatsgebod, dat volgens een aantal een ernstige hinderpaal was voor de groei van de gemeente, bleven maar weinig leden over. Na werk vanaf de zendingsboot "Maranatha" groeide dit aantal weer.

Na Joseph Winzen heeft vooral F.J. Voorthuis vorm gegeven aan de Nederlandse kerk. In 1947 werd het landgoed "Oud Zandbergen" in Huis ter Heide aangekocht, waar een haar later een theologische seminarie van start ging. Op dit moment (GR, 1994) telt de kerk ongeveer 4.500 gedoopte lidmaten in 53 gemeenten met 30 predikanten.

Hoofdstuk 2 – Wat geloven de zevende-dags adventisten?

Het adventisme is een loot van de Reformatie, maar de bewondering voor Zwingli en Luther is groter geweest dan voor Calvijn. De adventisten moeten vanaf het begin ook tot de Arminianen worden gerekend, de strenge uitverkiezingsleer werd losgelaten. Verder moeten adventisten in tal van opzichten tot de evangelicalen worden gerekend, ook al mogen er elementen zijn waaraan men zich stoort.

Geen geloofsbelijdenis

Er zijn twee factoren die de aversie tegen officiële belijdenisgeschriften verklaren: (1) in de laatste fase van de Miller-beweging betitelde men de gevestigde kerken als "Babylon", formuleringen die voor eens en voor altijd zouden moeten gelden mochten niet worden vastgelegd, ook als werden al vanaf 1872 een 25-tal punten gepubliceerd die als semi-officiële samenvatting van de adventistische leer dienstdeed, en in 1941 werd een uniforme lijst met doopvragen ingevoerd; maar eventuele toekomstige herformuleringen worden niet uitgesloten, (2) verschillende leiders van het eerste uur waren afkomstig uit de Christian Connection, waarbinnen een hevige weerstand bestond tegen de theologie van een gevestigde geestelijkheid en de historische belijdenisgeschriften van de christelijke kerk.

Er is duidelijk sprake van verschillende modaliteiten (een liberale en een sterk behoudende vleugel, met een grote groep daartussen), terwijl de steeds verder toenemende internationalisering van de kerk ook tot een grotere verscheidenheid bijdraagt.

De Bijbel

Adventisten zijn het oneens met de theorie van de woordelijke inspiratie van de Bijbel, waarbij God elk woord aan de bijbelschrijver zou hebben gedicteerd. Wel zijn de schrijvers geïnspireerd door de Heilige Geest. De Bijbel moet wel letterlijk worden opgevat, tenzij uit het verband duidelijk blijkt dat dit ten aanzien van bepaalde gedeelten niet de opzet is. Er is in recente tijden een duidelijke beweging – weg van de oude "bewijstekst" methode – in de richting van grotere eerbied voor de context en meer aandacht voor verschillen in literair genre. Wel wordt het adventisme door een behoudende bijbelopvatting gekenmerkt.

De Drieënige God

Het klassieke christelijke dogma van de Drieëenheid wordt onderschreven, ook al duurde het geruime tijd voordat hierover volledige overeenstemming bestond. Een vraag ten aanzien van de natuur van Christus heeft de gemoederen herhaaldelijk intens beziggehouden: Wat was de aard van de menselijke natuur die Christus aannam bij zijn vleeswording? Was dit de natuur die Adam had vóór de zondeval? Of begon Christus op hetzelfde punt waar wij ons bevinden?

De verlossing

Alleen door geloof in Christus is er behoud. De eeuwige redding van de mens is geheel afhankelijk van wat God in zijn zoon Jezus Christus heeft gedaan en rust op geen enkele manier op enige bijdrage van onze kant. Adventisten moeten zo eerlijk zijn toe te geven dat wetticisme vaak de glans van het evangelie heeft overschaduwd en dat dit probleem van tijd tot tijd nog steeds de kop opsteekt. De wet laat de mens echter nog steeds zijn fouten en gebreken zien en drijft de mens naar Christus toe. Dankbaarheid is vanzelfsprekend. In het verleden is er wel eens op gewezen dat een deel van de verzoening plaatsvindt in het hemels heiligdom, als tweede fase (Hebreeën 8:5), naar analogie van de dagelijkse offerdiensten in het OT-heiligdom, die hun vervolg vonden in de Grote Verzoendag.

Waarom die lange naam?

De naam Zevende-dags Adventisten richt de schijnwerper op twee aspecten die adventisten duidelijk onderscheiden van de meeste andere christenen: het vieren van de rustdag op de zaterdag, de zevende dag van de week, en een visie op de toekomst die de wederkomst van Christus als brandpunt heeft.

De kerk

Adventisten zien zich niet als de enige ware christenen, en geloven niet dat alleen zij kans hebben behouden te worden. Maar zij geloven wel dat zij een beter inzicht in "de waarheid" hebben dan anderen. Zij herkennen zich in de eschatologische "rest" van Openbaring 12:17 en zien zichzelf als Gods "laatste gemeente" waarvan een profiel wordt geschetst in Openbaring 3:14-22.

Toetreding tot een adventistengemeente geschiedt door de doop door onderdompeling, de doopkandidaat belijdt in het openbaar zijn geloof in de Drieënige God en in de verlossing door Jezus Christus en stemt vervolgens in met enkele essentiële adventistische leerstellingen. Als men al binnen een andere gemeenschap door onderdompeling werd gedoopt, behoeft deze niet herhaald te worden, maar wordt men toegelaten op de belijdenis van zijn geloof. Wie op een bepaald moment het adventisme vaarwel zegt en later terugkeert kan om herdoop vragen, maar in het algemeen wordt daarop niet aangedrongen.

Adventisten kennen een "open" avondmaalsviering waaraan iedereen, gedoopt of niet kan deelnemen. Over de toelating van jongere ongedoopte kinderen bestaat geen eenstemmigheid. In Nederland staat men er in meerderheid afwijzend tegenover. Voorafgaand aan het avondmaal vindt een voetwassing plaats, als "dienst der nederigheid".

De kinderdoop wordt als onbijbels afgewezen, maar ouders kunnen hun kind laten "opdragen", waarbij de predikant een gebed uitspreekt voor ouders en kind, terwijl hij het kind in zijn armen houdt.

Ernstige zieken worden soms gezalfd, in navolging van de raad van de apostel Jakobus (5:14-15). Daarbij gaat men er echter niet vanuit dat het begeleidende gebed altijd door God verhoord zal worden.

Geestelijke gaven

De kerk is toegerust met een aantal geestelijke gaven (1 Corinthiërs 12-14). De profetische gave is de duidelijkste daarvan. De "volharding der heiligen" blijkt uit hun trouw aan Gods geboden en uit het "bewaren" van "het geloof" (Statenvertaling: het getuigenis) van Jezus (Openbaring 14:12). En dit "getuigenis van Jezus" is volgens Openbaring 19:10 te verstaan als "de geest der profetie".

Deze geest der profetie is herkend in Ellen G. White (1827-1915), die talloze dromen en visioenen ontving, die zij en andere medegelovigen een goddelijke oorsprong toekenden. Haar boeken worden daarom als geïnspireerd beschouwd. Zij heeft met haar inzichten de richting bepaald waarin de kerk zich heeft ontwikkeld. Er bestaat een zekere spanning tussen artikel 1 en 17 van de fundamentele geloofspunten, maar de Bijbel heeft meer gezag. Haar boeken hebben een grotere waarde voor de meeste adventisten dan de Institutie van Calvijn voor het gros van de calvinisten.

De laatste dingen

De mens heeft geen onsterfelijke ziel die bij zijn sterven naar de hemel of de hel gaat. De mens is een eenheid. Bij de dood begint een onbewuste toestand, die in zekere zin met de slaap kan worden vergeleken. Zijn identiteit wordt bij God bewaard. De gelovigen wacht eeuwig leven; de ongelovigen wacht een eeuwige dood. Adventisten ontkennen een eeuwige straf, maar de straf is wel onomkeerbaar.

Uniek is de visie op het oordeel. Voorafgaande aan de wederkomst is er een fase van onderzoek. Zoals de oudtestamentische Grote Verzoendag een element van oordeel bevatte, moet ook het werk van de hemelse Hogepriester tijdens de antitypische Grote Verzoendag in het hemels heiligdom verband houden met het oordeel ("voor-onderzoekend oordeel", pre-Advent oordeel). Bij Christus’ wederkomst komen allen die zich niet aan zijn kant hebben geschaard om (Openbaring 19:11-21). Tijdens de duizendjarige periode die dan begint zijn de geredden op de een of andere manier bij het oordeel betrokken (Openbaring 20:4; 1 Corinthiërs 6:3). Aan het einde van deze duizend jaar worden de goddelozen voor korte tijd tot leven gewekt om dan, met de Satan, het uiteindelijke loon te ontvangen, dat wil zeggen: voor eeuwig te worden verdelgd.

Hoofdstuk 3 – Gewoon anders

De manier waarop mensen leven wordt in een belangrijke mate bepaald door hun godsdienstige keuze. Adventisten wijken niet alleen door het vieren van de sabbat af van het gemiddelde leefpatroon.

Een gezonde geest in een gezond lichaam

Van adventisten wordt verwacht dat zijn niet roken, geen alcohol of drugs gebruiken en dat zij geen "onrein" vlees eten. De voorkeur wordt gegeven aan een volstrekt vegetarische leefwijze en ook het drinken van thee en koffie en cola wordt sterk afgeraden. Dit komt door het klimaat van "reform"-bewegingen van 1815 tot circa 1870, de tijd waarin het adventisme ontstond. Een andere factor waren de gezondheidsproblemen in de familie White.

Het verzet tegen varkensvlees was in het begin gebaseerd op gezondheidsargumenten, later werd een beroep gedaan op de spijswetten in Leviticus 11. Bovendien wordt het lichaam gezien als één, zonder scherpe scheiding tussen lichaam en geest, en het lichaam is de tempel van de Heilige Geest (1 Corinthiërs 6:19-20) die niet verontreinigd mag worden.

Rentmeesterschap

De mens moet verantwoord omgaan met wat hij aan talenten en mogelijkheden heeft gekregen. De zorg voor het milieu heeft pas laat de aandacht gekregen. Voor wat betreft geld: adventisten worden geacht tenminste 10% van zijn inkomen te geven als "tiende". De gedachte hierbij is dat het geven van tienden naar bijbels model ons nog steeds kan leiden in ons geefpatroon. Het afstaan van deze tienden wordt niet beschouwd als een last of een verplichting, alles is immers van God.

Cultuur

Door de overwegend rationalistische instelling van de gemiddelde adventist en achterdocht ten aanzien van emoties wordt niet veel aandacht besteed aan kunst en cultuur. Hoewel de houding wat positiever is geworden in de afgelopen jaren, is het adventisme geen "mekka" voor de artistieke fijnproever.

Maatschappelijke vraagstukken

De overheid

Romeinen 13 is het uitgangspunt bij elke discussie over de relatie tussen de individuele christen en de overheid: de overheid is door God ingesteld en moet gehoorzaamd worden, ook als die overheid minder dan ideaal is. Verzet mag alleen als de overheid dingen verlangt die tegen een goddelijke wet ingaan. Adventisten geloven in een absolute scheiding tussen kerk en staat.

Militaire dienst

De kerk heeft vanaf het begin haar leden ontraden wapens te dragen. Wanneer het mogelijk is maken de jongeren gebruik van de "vervangende dienstplicht".

De positie van de vrouw

De Kerk van de Zevende-dags Adventisten is het grootste christelijke kerkgenootschap dat een vrouw had als een van haar belangrijkste stichters. Tweederde van de leden van de kerk is vrouw. De discussie over de betekenis van bepaalde uitspraken van Paulus dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen (1 Corinthiërs 14, 2 Timotheüs 2), is nooit helemaal verstomd, hoewel vanaf het begin op veel plaatsen vrouwen in de kerk het woord voerden en ingeschakeld werden bij evangelisatie en pastoraal werk. Er is echter na heel veel jaren (vanaf 1881) nog steeds geen overeenstemming over de vrouw in het ambt.

Intussen zijn wel tal van maatregelen genomen om het percentage vrouwen in leidinggevende functies in de kerk te vergroten. Vrouwelijke ouderlingen zijn een meer en meer geaccepteerd verschijnsel. Enkelen van hen bedienen in hun gemeente het avondmaal en dopen kandidaten die zij hebben "onderricht". Samenvattend kan worden gesteld dat het bij deze problematiek niet uitsluitend, of misschien zelfs niet in de eerste plaats, om theologische argumenten gaat, maar dat eerder culturele verschillen enerzijds en het verlangen om de internationale eenheid te bewaren anderzijds, het verloop van de discussie bepalen.

Seksualiteit

Seksuele gemeenschap dient alleen plaats te vinden tussen gehuwden en absolute trouw aan de eigen partner moet voorop staan. Gemeenschap voor het huwelijk wordt sterk afgekeurd. Het ongehuwd samenwonen van jongeren is ook onder adventisten in een aantal landen geen zeldzaamheid. Het wordt ontmoedigd, maar meestal wel gedoogd en gewoonlijk wordt er niet al te veel druk uitgeoefend als het een redelijk langdurige relatie met een en dezelfde partner betreft.

Het gebruik van voorbehoedsmiddel is nauwelijks een punt van discussie. De kerk brengt in toenemende mate begrip op voor homofiele mensen, maar verwacht dat leden met die geaardheid zich van homoseksuele activiteiten onthouden.

Echtscheiding is een veel groter probleem. Vijftien procent van de adventistische huwelijken in Amerika eindigt in een echtscheiding. Aangezien het daar een meer aanvaard verschijnsel is, ligt het voor de hand dat Amerikaanse adventisten wat sneller naar deze oplossing grijpen. De officiële "leer" is heel wat minder soepel. De enige geldige reden voor een echtscheiding is overspel (Mattheüs 19:9). In 1976 kwam een beginselverklaring waarin ook een langdurige intieme relatie met een ander (zonder geslachtsgemeenschap), perverse gedragingen die ook na therapie bleven bestaan en homoseksuele activiteiten als geldige redenen werden erkend. Maar theorie en praktijk dekken elkaar dus niet op dit punt.

Abortus

In oktober 1992 werd door het Generale Conferentiebestuur een nieuw document aangenomen waarin de nadruk wordt gelegd op de waarde van elke vorm van menselijk leven en op het feit dat men nooit lichtvaardig tot een abortus mag besluiten. De uiteindelijke beslissing is echter in laatste instantie een zaak van het persoonlijk geweten van de betrokkene(n). Er kunnen omstandigheden zijn die ernstige morele en medische consequenties hebben, zoals wanneer het leven van de aanstaande moeder wordt bedreigd, of waneer er een grote mate van zekerheid bestaat dat het kind ernstig misvormd zal worden geboren of als de vrouw zwanger is geworden na aanranding of incest.

Hoofdstuk 4 – Een geoliede organisatie

Kenmerkend voor de organisatievorm is niet in de eerste plaats een specifieke theologische beschouwing, maar vooral een pragmatische aanpak die de sporen draagt van de Amerikaanse context waarin het adventisme ontstond en zich ontwikkelde.

Bouwstenen van de organisatie

De basiseenheid is de plaatselijke gemeente. De lokale gemeente is autonoom. De leden kiezen hun ouderlingen en diakenen en andere "ambtsdragers". Tijdens een huishoudelijke vergadering wordt een benoemingscomité gevormd dat een voordracht doet aan de gemeente, die er vervolgens over stemt. De benoemingen geschieden meestal voor een periode van 2 jaar. De gemeente heeft echter niet het recht haar eigen predikant te beroepen. Deze wordt haar ‘van hogerhand’ toegewezen.

Een aantal gemeenten in een bepaald gebied vormen een conferentie, terwijl twee of meer conferenties een unie vormen. Nederland heeft vanwege praktische overwegingen geen conferenties maar een unie van gemeenten.

De conferenties en unies worden geleid door een bestuur dat, respectievelijk om de drie en de vijf jaar, door afgevaardigden van alle gemeenten wordt gekozen. Een zeer aanzienlijk deel van de financiën wordt beheerd door de conferenties (in Nederland de unie).

Het internationale gezag van de kerk is gevestigd in de Generale Conferentie. Dit overkoepelende orgaan heeft zijn hoofdkantoor in Silver Spring, een voorstad van Washington, D.C. in de Verenigde staten. Maar er zijn ook elf regionale kantoren voor de even zovele divisies.

De bestuurders van de divisies en het Generale Conferentie-hoofdkantoor in Amerika worden door enkele duizenden afgevaardigden benoemd tijdens het vijfjaarlijkse wereldcongres, op voordracht van een benoemingscomité dat uit vertegenwoordigers uit alle delen van de wereld wordt samengesteld. Bovendien worden tijdens de "zittingen" van de GC belangrijke beleidsbeslissingen genomen.

Een aantal taken op verschillende bestuurlijke niveaus is toevertrouwd aan de zogenaamde departementen. Zo is er een departement voor diaconaat en toerusting, en een die zich bezig houdt met interne en externe communicatie.

Op GC- en op divisie niveau worden allerlei programma’s, projecten en richtlijnen ontwikkeld die vervolgens via unie- en conferentiefunctionarissen naar de predikanten en de gemeenteleden worden doorgesluisd. Een groot voordeel van deze opzet is dat daardoor wereldwijd een redelijk uniforme aanpak wordt gegarandeerd die ertoe bijdraagt dat het adventisme een hechte, internationale organisatie blijft en niet uiteenvalt in een serie regionale kerken die alles elk op hun eigen manier doen. Zo wordt overal ter wereld in de bijbelstudie van de sabbatsschool hetzelfde thema aan de orde gesteld.

De kerk houdt zich tevens bezig met onderwijs in haar eigen scholen, de ontwikkeling van een adventistisch netwerk van medische instellingen, het publiceren van boeken e.d. via eigen uitgevers, sponsoring van radio- en televisieprogramma’s, ontwikkelingswerk via ADRA (Adventist Development and Relief Agency). Vroeger hield men zich tevens bezig met voeding: Kellogg’s cornflakes is ontwikkeld binnen de muren van de eerste adventistische gezondsheidsinstelling, wat leidde tot de oprichting van een voedingsmiddelenbedrijf.

Een opmerking t.a.v. de inhoud van de publicaties: men heeft er vanaf het begin voor gezorgd dat de inhoud van de publicaties in overeenstemming is met de kerkelijke leer. Redacteuren worden met grote zorg gekozen en elke benoeming vereist de goedkeuring van bovenaf: de benoeming van een redacteur in een uitgeverij van een unie moet door het divisiebestuur worden bekrachtigd! Boekmanuscripten worden beoordeeld door leescommissies, die naast de literaire kwaliteiten ook scherp letten op zuiverheid in de leer.

Hoofdstuk 5 – Adventisten en oecumene

Adventisten zetten zich aan de ene kant sterk af tegen andere kerken, maar benadrukken voortdurend de band met anderen, vooral met evangelicale christenen. Ze zoeken aan de ene kant bewust het isolement, maar willen toch ook nadrukkelijk als deel van de christenheid worden erkend.

Afvalligen of mede-christenen?

De Millerieten zagen ook de protestantse kerken als "Babylon" uit Openbaring 18:4. Omdat adventisten in veel opzichten de erfgenamen van deze Millerieten zijn, werd deze visie lang verkondigd. Geleidelijk aan begonnen adventistische auteurs zich echter wat voorzichtiger uit te drukken. De term "Babylon", zo stelde men, is vooral van toepassing op kerkelijke structuren en leiders, en niet op individuele gelovigen. Veel van Gods kinderen bevinden zich nog steeds in "Babylon" en de uiteindelijke confrontatie tussen Gods "laatste gemeente" en "Babylon" ligt nog voor een belangrijk deel in de toekomst!

De kerk ziet formeel het protestantisme als deel van "Babylon", maar weet dat zich in de verschillende christelijke kerken nog massa’s oprechte gelovigen bevinden, die door God als zijn kinderen worden beschouwd. De houding ten opzichte van de Rooms-Katholieke kerk is minder vriendelijk wat ook door de geschiedenis in de formatieve fase van het adventisme wordt veroorzaakt.

Geen alleenrecht op de hemel

Vrijwel vanaf het begin hebben leiders benadrukt dat de kans op eeuwig heil niet samenvalt met het lidmaatschap van hun kerk. Ook Ellen G. White heeft zich herhaaldelijk, en met grote nadruk, in die zin uitgelaten.

Adventisten zien zichzelf als dragers van een bijzondere boodschap, maar erkennen dat de meeste christenen zich nog steeds in andere geloofsgemeenschappen bevinden. En in weerwil van hun kritische opstelling ten aanzien van andere kerken, zijn adventisten bereid te erkennen dat andere kerken en organisaties een positieve rol vervullen in de wereldwijde evangelieverkondiging.

De oecumenische beweging

Er is geen wil tot toetreding tot de Wereldraad van Kerken, hoewel die ondanks de sabbatviering en de apocalyptische denkbeelden waarschijnlijk wel zal worden gehonoreerd als deze wordt aangevraagd. De principiële bezwaren tegen de oecumene wegen bij adventisten heel zwaar. Ook al is de oecumenische beweging nu uiterst tolerant, zij kan, zo redeneert men, gemakkelijk uitgroeien tot het monolytische monster dat in de tijd, onmiddellijk voorafgaande aan de wederkomst, een uniforme geloofsbeleving zal pogen af te dwingen. Die angst heeft de adventisten vaak wars gemaakt van elk initiatief dat een organische eenheid van de kerken nastreeft. Bij velen bestaat nog steeds de vrees dat elk oecumenisch streven uiteindelijk zal uitmonden in compromissen, in een proces van geven en nemen. En een compromis is onaanvaardbaar als het om de bijbelse waarheid gaat!

Na zorgvuldige afweging heeft het Nederlandse kerkbestuur in april 1994 het waarnemerschap bij de Nederlandse Raad van Kerken aangevraagd en verkregen. Ook levert het geen problemen op om als volwaardige participant mee te werken in interkerkelijke organen die vooral praktische doeleinden nastreven. Verder stelt de kerk zich positief op ten aanzien van deelname aan theologische discussies en andere forums, waarin het eerder om een uitwisseling van gedachten en een beter begrip van standpunten van anderen gaat, vooral als adventistische theologen daaraan op persoonlijke titel en niet als officiële vertegenwoordigers van hun kerk deelnemen.

De Generale Conferentie heeft steeds vertegenwoordigers naar belangrijke bijeenkomsten gestuurd: vergaderingen van het Centraal Comité, van de Assemblee van de Wereldraad van Kerken en van het Tweede Vaticaans Concilie werden bijgewoond.

Hoofdstuk 6 – Een kerk met toekomst?

Gezien het groeipatroon van het adventisme in de laatste 40 jaar mag veilig worden aangenomen dat het aantal adventisten verder sterk zal groeien. Het ledenaantal was in 1994 ruim 8 miljoen, maar de ledenboekhouding laat in sommige gebieden sterk te wensen over en vaak worden nieuwe leden wel vlot bijgeschreven, maar blijven inactieve lidmaten nog lange tijd geregistreerd.

Interessant is dat bij volkstellingen het aantal personen dat zichzelf adventist noemt gewoonlijk veel hoger uitvalt dan de kerkelijke statistieken aangeven. Op grond daarvan lijkt het niet overdreven om aan te nemen dat het aantal mensen dat zichzelf als adventist beschouwt wereldwijd tussen de 15 en de 20 miljoen ligt.

Grenzen aan de groei?

De ledentoename verschilt zeer per regio. De groei is het grootst in Midden- en Zuid-Amerika, Afrika, op de eilanden van de Stille Oceaan en de Filippijnen. In andere delen van de wereld stagneert de groei.

De kerk is echter in bijna alle landen vertegenwoordigd, maar nog lang niet alle bevolkingsgroepen zijn bereikt. De koerswijziging van concentratie op snelle groeigebieden naar onbereikte streken en bevolkingsgroepen (unreached people groups) is misschien wel de belangrijkste gebeurtenis in het hedendaagse adventisme.

De adventisten in de derde wereld zijn jonger dan gemiddeld. In de westerse landen is een sterke vergrijzing waar te nemen. Het valt de kerk in veel "ontwikkelde" landen in toenemende mate moeilijk om de jeugd vast te houden.

De tijd dat de meeste adventisten in Noord Amerika woonden is lang voorbij. Minder dan 20 procent van de leden woont nu in het rijke Westen en meer dan 80 procent bevindt zich in het armere deel van de wereld. Dit heeft gevolgen voor de invloed in de kerk (afname van de Amerikaanse zeggenschap) en er is een financieel aspect doordat de kerk in de niet-westerse landen financieel sterk afhankelijk zijn van de rijke zusters en broeders in Amerika, Europa en Australië. De geringe groei in het Westen en de explosieve groei in veel andere gebieden schept enorme financiële problemen.

Een derde aspect is dat door de snelle groei vaak te weinig aandacht is besteed aan goede nazorg en een solide gemeente-opbouw. Als de kerk daaraan niet nog meer aandacht gaat besteden zal niet alleen de voordeur maar ook de achterdeur van de kerk wijd open blijven staan.

Theologische tendensen

Er heerst momenteel op theologisch front een opmerkelijke kalmte. Maar vooral de inspiratie van de Bijbel en de natuur van Christus vormen onderwerp van gesprek.

De mate van eenheid die het adventisme in de loop van haar geschiedenis, zowel organisatorisch als theologisch, heeft weten te bewaren is een van de opmerkelijkste facetten. Er zijn echter wel verschillen in denken. Er is sprake van een relatief kleine "liberale" vleugel en er is een uiterst behoudende, haast reactionaire, groep aan het andere einde van het spectrum, met daartussenin de nodige verscheidenheid. Theologen met afwijkende denkbeelden komen meestal toch niet op belangrijke bestuurlijke posten terecht en zij kunnen met hun publicaties niet bij de kerkelijke uitgeverijen terecht. Maar zij zoeken dan ook vaak hun toevlucht tot eigen publicaties en onofficiële distributiekanalen.

De fundamentele vraag waarom het in dit verband gaat is of de kerk wil blijven streven naar een grote mate van gelijkheid in denken, of dat men juist een zekere mate van verscheidenheid wil accepteren als een geestelijke verrijking – en deze daarom zelfs wil bevorderen. Het is te vroeg om te weten in welke richting het zal gaan.

Een ander element dat meespeelt is dat een kerk die vooral in het niet-westerse deel van de wereld groeit, ruimte zal willen opeisen voor inzichten die door de eigen geschiedenis en cultuur zijn gevormd en zij zal in toenemende mate ontevreden zijn met een theologisch stelsel dat geheel op westerse waarden en veronderstellingen is gebaseerd.

De bovenstaande fundamentele vraag is echter voor een belangrijk deel al achterhaald. De verscheidenheid is al groter dan velen willen erkennen.

De organisatie

De toekomst zal ongetwijfeld een verdere decentralisatie van bestuur en afslanking van het bestuursapparaat te zien geven. Waardoor de besluitvorming efficiënter kan worden en bezuinigingen kunnen worden bereikt.

Verder is de mondigheid van de leken toegenomen. Men wil bijvoorbeeld niet zomaar meer tienden afdragen, zonder de bestemming ervoor te weten. Het project-geven is dan ook een tendens die vooralsnog onomkeerbaar is. Opmerkelijk is wel dat in totaal eerder meer dan minder geld binnenkomt.

Verder komen er al meer "supporting ministries", lekenorganisaties met eigen projecten, fondsen en personeel, die de kerk in haar taak willen steunen zonder rechtstreeks onder de kerkelijke bestuurlijke paraplu te werken.

Relevantie

De geschiedenis leert ons dat geestelijke stromingen hun voortbestaan niet alleen danken aan een goede organisatie, charismatische leiders, efficiency, optimale communicatietechnieken en financiën. Het gaat er in laatste instantie om of een beweging een idee levend weet te houden – een vonk houdt die op anderen kan overspringen. Daarin ligt dan ook de uitdaging van het adventisme van de jaren negentig en van de 21ste eeuw.

Misschien moeten adventisten leren om beter samen te werken met andere christenen. Maar daarbij mogen zij zich niet schamen voor het eigene, voor de specifieke inzichten die hen anders hebben gemaakt dan de christenen om hen heen. Hun toekomst als een groeiende – en vooral levende – geloofsgemeenschap zal bepaald worden door hun vermogen om binnen dat spanningsveld hun boodschap zo te vertalen dat deze de huidige en de volgende generatie iets wezenlijks te zeggen heeft.

naar begin van document

Samenvatting: copyright © 2000-2007 G. Roelofs