|
voorpagina > 1844 > visioenen in Daniël 8 en 9
Visioenen in Daniël 8 en 9
Daniël 9 verklaart het gezicht van de avonden en morgens uit 8:14
Volgens de adventistische visie op Daniël beschrijft hoofdstuk 9 geen visioen, maar verklaart het tweede deel van dit hoofdstuk alleen een eerder in hoofdstuk 8 gegeven en nog niet verklaard gezicht, namelijk het in Daniël 8:14 beschreven gezicht van de avonden en morgens (ABV, 52).
In het Hebreeuws van Daniël 8 en 9 worden namelijk twee verschillende woorden gebruikt voor het woord dat vertaald werd met visioen (ABV, 53).
Het Hebreeuwse woord chazown (hazon) wordt gebruikt in Daniël 8:1 en duidt op het gehele visioen. In Daniël 8:26 en 27 wordt in verband met het gezicht van de avonden en morgens het woord mareh gebruikt.
Daniël 8:1 – In het derde jaar van de regering van koning Belsazar verscheen mij, Daniël, een gezicht (chazown).
Daniël 8:26 – En het gezicht (mareh) van de avonden en morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid.
Daniël 8:27 – En ik was verbijsterd over het gezicht (mareh), maar niemand merkte het.
Wanneer in Daniël 9:23 het woord mareh wordt gebruikt, moet dit dan ook slaan op het gezicht van de avonden en morgens in Daniël 8:14.
Daniël 9:23 – Let dus op het woord en sla acht op het gezicht (mareh).
Het is duidelijk dat Gabriël gekomen is om uitleg te geven van de 2300 dagen, de uitleg die niet was gegeven in het vorige hoofdstuk (ABV, 54).
Andere aanknopingspunten voor deze visie zijn de uitleg van hoofdstuk 8:27, die aangeeft dat Daniël verbijsterd was, het gezicht niet heeft begrepen, en dat Gabriël in beide hoofdstukken optreedt.
Daniël 8:26 - En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte de dienst bij de koning. En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het.
Het gezicht wordt in Daniël 8 uitgelegd
Visioen en gezicht zijn synoniem
Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het gezicht uit hoofdstuk 8 pas in het daaropvolgende hoofdstuk wordt uitgelegd. Het visioen uit hoofdstuk 8 wordt in zijn geheel in hetzelfde hoofdstuk uitgelegd, en de boodschap van Gabriël in hoofdstuk 9 is het antwoord op het gebed van Daniël eerder in hetzelfde hoofdstuk. Een nadere blik op de tekst maakt dit duidelijk.
In hoofdstuk 7:1 wordt beschreven dat Daniël droomde, waarbij gezichten voor zijn ogen kwamen. Dat het hier om een droom (chezev) gaat, iets wat Daniël in slapende toestand meemaakt, wordt duidelijk omdat over zijn legerstede (vers 1), over de nacht (vers 2) en over nachtgezichten (vers 7 en 13) wordt gesproken.
Daniël 7:1 - In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, zag Daniël een droom en gezichten die hem op zijn legerstede voor ogen kwamen. Toen schreef hij de droom op.
In hoofdstuk 8:1 krijgt Daniël opnieuw een gezicht (chazown). Hier moet worden gedacht aan een visioen, een belevenis terwijl hij wakker is. Hij krijgt dit visioen na datgene wat hem eerder te zien was gegeven. Daarmee wordt verwezen naar de droom die Daniël in het eerste jaar van Belsazar kreeg en die beschreven is hoofdstuk 7. Deze referentie geeft aan dat het visioen uit hoofdstuk 8 aansluit op de droom van hoofdstuk 7 en bepaalde onderdelen nader toelicht en aanvult.
Daniël 8:1 – In het derde jaar der regering van de koning Belsazar werd mij, Daniël, een gezicht (chazown) te zien gegeven, na datgene wat mij in de aanvang was te zien gegeven (KV Daniël, 155 – opnieuw uit de grondtekst vertaald).
Daniël 8:1 – In het derde jaar van de regering van koning Belsazar verscheen mij, Daniël, een gezicht (chazown), na het gezicht (chezev), dat mij eerder verschenen was (NBG).
De vertaling van het NBG uit 1951 gebruikt tweemaal het woord 'gezicht', terwijl dit woord in de grondtekst slechts één keer voorkomt. In de context kan de tweede keer het woord gezicht zowel met chazown of chezev worden vertaald. Gezien de terugverwijzing naar de droom (7:1) gaat de voorkeur uit naar chezev. Het NBG had bij de terugverwijzing in 8:1 dan ook beter het woord 'droom' kunnen gebruiken.
In 8:13 wordt gesproken over een bepaald deel van het gehele visioen, namelijk over het gezicht (chazown) over de vernedering van het heiligdom.
Daniël 8:13 - Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide tot degene die gesproken had: Hoelang zal dit gezicht (chazown) gelden - het dagelijks offer en de ontzettende overtreding, het prijsgeven van het heiligdom en het vertrappen van het heer?
Hoofdstuk 8:13 legt met gebruik van andere woorden nogmaals uit wat er in de toekomst met het heiligdom zal gebeuren. In de verzen 11 en 12 is namelijk eerder beschreven wat er zal gebeuren. In vers 13 wordt vervolgens ook de vraag gesteld hoelang de periode zal duren die daarvoor in vers 11 en 12 is beschreven.
Daniël 8:11-12 - Zelfs tegen de vorst van het heer maakte hij zich groot, en Hem werd het dagelijks offer ontnomen en zijn heilige woning werd neergeworpen. En een eredienst werd in overtreding ingesteld tegenover het dagelijks offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij ook deed, gelukte hem.
In vers 14 volgt vervolgens het antwoord.
Daniël 8:14 – En hij zeide tot mij: tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.
Uit niets blijkt dat Daniël dit gezicht (chazown) over de vernedering van het heiligdom niet heeft begrepen. Vers 11-13 geven een glasheldere beschrijving van de komende gebeurtenissen rondom het heiligdom, die in de tijd van Antiochus IV Epiphanes bewaarheid zullen worden, en 8:14 geeft een antwoord op de vraag hoelang deze toestand zal duren.
Het visioen (chazown) is volgens hoofdstuk 8:15 nog niet in zijn geheel duidelijk voor Daniël.
Daniël 8:15 – Toen ik, Daniël, het gezicht (chazown) zag en het trachtte te verstaan, zie, daar stond iemand voor mij, die er uitzag als een man.
De aartsengel Gabriël krijgt opdracht om het visioen uit te leggen (vers 16-17).
Daniël 8:16-17 – En ik hoorde een menselijke stem over de Ulai, welke zeide: Gabriël, doe deze het gezicht (mareh) verstaan. En hij kwam tot waar ik stond, en toe hij kwam, schrikte ik en wierp mij op mijn aangezicht, maar hij zeide tot mij: Versta, mensenkind, dat het gezicht (chazown) doelt op de tijd van het einde.
Wat opvalt is dat eerst een nieuw woord voor visioen wordt gebruikt in de grondtekst (mareh), en vervolgens terug wordt gevallen op het bekende chazown. Dat beide Hebreeuwse woorden dezelfde betekenis hebben en daarom afwisselend worden gebruikt blijkt uit de tekst. De tekst spreekt van Gabriël die opdracht krijgt om het visioen uit te leggen en vervolgens zegt dat ditzelfde visioen doelt op de eindtijd.
Daarna volgt de uitleg van het visioen. Daarbij ligt de nadruk op het gedeelte over de ram en de geitebok (vers 20-25), waarvan een uitgebreide uitleg wordt gegeven. Deze uitgebreide uitleg geeft aan dat juist dit gedeelte over de ram en de geitebok voor Daniël niet gelijk duidelijk was. Terwijl opnieuw niet uit de tekst blijkt dat Daniël het gedeelte van het visioen over de vernedering van het heiligdom niet begrepen heeft. Want aan dit gedeelte wordt niet opnieuw uitvoerig aandacht besteed.
Daniël 8:26 – En het gezicht (mareh) van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet op een verre toekomst (chazown).
Wanneer het visioen voorbij is, is Daniël aan het einde van zijn krachten door de vele indrukken die hij heeft opgedaan tijdens het visioen. Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de toestand van Daniël nadat de droom uit hoofdstuk 7 aan hem is uitgelegd (7:28), maar de uitwerking is groter. Uit de tekst blijkt in geen geval dat Danël alleen verbijsterd is over het gezicht van de avonden en dat het deel van het visioen over de ram en de geitebok geen indruk op hem heeft gemaakt.
Daniël 8:27 – En ik, Daniël, was uitgeput en enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte de dienst bij de koning. En ik was verbijsterd over het gezicht (mareh), maar niemand merkte het.
Het is duidelijk dat Daniël de betekenis van het gezicht, van de Goddelijke openbaring, volledig begrijpt. Hij is van de betekenis zo sterk onder de indruk (na verschillende machtswisselingen zal de heilige tempel zal worden verontreinigd!) dat zijn lichaam het tijdelijk laat afweten en verbijstering zich van hem meester maakt. Maar hij weet zijn verbijstering voor anderen verborgen te houden.
In hoofdstuk 9:21 is Daniël in gebed als opnieuw Gabriël bij hem komt. Het onderwerp van het gebed is de profetie van Jeremia waarin gesproken wordt van een periode van zeventig jaren dat Jeruzalem verwoest zal zijn. Net als in hoofdstuk 8 moet hier opnieuw gedacht worden aan een visioen waarbij Daniël wakker is, want de engel komt tijdens het gebed tot hem.
Daniël 9:21 - Terwijl ik nog sprak in het gebed, kam de man Gabriël, die ik tevoren gezien had in het gezicht (chazown), in ijlende vlucht tot vlak bij mij op de tijd van het avondoffer.
Gabriël moet Daniël iets duidelijk te maken, aan hem iets openbaren.
Daniël 9:22 - En hij begon mij te onderrichten en sprak met mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven.
Vers 23 geeft vervolgens aan waar de uitleg van Gabriël in het visioen betrekking op heeft: de aanleiding voor de komst van Gabriël is het gebed van Daniël waarmee hoofdstuk 9 begint.
Daniël 9:23 - Bij het begin van uw smeekbede is er een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind. Let dus op het woord en sla acht op het gezicht (mareh).
Het onderricht van Gabriël heeft dus betrekking op het gebed van Daniël waarin hij boete doet voor de zonden van zijn volk die aanleiding hebben gegeven tot het onheil dat over Jeruzalem is gekomen. Daniël vraagt in zijn gebed aan God om in te grijpen en aan deze vernedering van Jeruzalem een einde te maken. Gabriël mag in antwoord hierop aan Daniël laten zien dat het in puin liggende Jeruzalem in de toekomst zal worden hersteld (vanaf 9:24). Dat het visioen het antwoord is op het gebed van Daniël blijkt eveneens uit het begin van vers 24 waar gesproken wordt over 'uw volk en uw heilige stad', waarmee de uitlegger teruggrijpt naar vers 16 waar eveneens over het volk en de stad Jeruzalem wordt gesproken.
Daniël 9:24 - Zeventig weken zij bepaald over uw volk en uw heilige stad.
Daniël 9:16 - Here, mogen naar al uw gerechtigheid uw toorn en uw grimmigheid zich toch afwenden van uw stad, uw heilige berg; want om onze zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen zijn Jeruzalem en uw volk tot een smaad geworden voor allen om ons heen.
De conclusie is dan ook dat net als in hoofdstuk 8, waar het visioen wordt getoond en vervolgens geheel wordt uitgelegd, het visioen in hoofdstuk 9 in antwoord op het gebed van Daniël uitleg geeft over de toekomstige gebeurtenissen rondom Jeruzalem en de tempel.
Ook bij raadpleging van de concordantie van Strong wordt duidelijk dat de beide gebruikte woorden voor visioen, chawzon en mareh, beide kunnen refereren naar visioenen.
| chawzon | mareh |
| 1 | vision | sight, appearance, vision |
| 1a | vision (in ecstatic state) | sight, phenomenon, spectacle, appearance, vision |
| 1b | vision (in night) | what is seen |
| 1c | vision, oracle, prophecy (divine communication) | a vision (supernatural) |
| 1d | vision (as title of book of prophecy) | sight, vision (power of seeing) |
| (bron: Strong's Concordance) | |
In het gebruik van de twee verschillende woorden voor visioen, die synoniem zijn - een gelijke betekenis hebben - hoeft dan ook niets bijzonders te worden gezocht.
Het laatste adventistische argument voor de uitleg van het gezicht uit hoofdstuk 8 in hoofdstuk 9, dat ook daar Gabriël opnieuw optreedt, geeft hiervoor geen speciale aanleiding. Daniël is door zijn eerdere visioen vertrouwd geraakt met Gabriël als boodschapper, wat het opnieuw naar voren treden van Gabriël niet bijzonder maakt.
|