Kies een pagina bij: of
7daweb.com
 De 2300 avonden en morgens laatste wijziging 25 september 2004 

voorpagina > 1844 > de 2300 avonden en morgens

De 2300 avonden en morgens

Volgens adventistische schrijvers kan de kleine horen uit Daniël 7 en 8 niet Antiochus Epiphanes zijn, maar moet het pauselijk Rome zijn. Een argument hiervoor zou zijn dat de tijd dat de tempel in Jeruzalem niet gebruikt kon worden, niet gelijk is aan de 2300 avonden en morgens uit Daniël 8:14.

Voordat op dit argument wordt ingegaan worden allereerst enkele vertalingen van dit vers weergegeven.

Daniël 8:13,14 – Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide tot degene die gesproken had: Hoelang zal dit gezicht gelden – het dagelijks offer en de ontzettende overtreding, het prijsgeven van het heiligdom en het vertrappen van het heer? En hij zeide tot mij: tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden (NBG).

Daniël 8:14 – En ik hoorde het antwoord: Nog drieëntwintighonderd avonden en morgens, dan zal de tempel weer in ere hersteld worden (Groot Nieuws Bijbel).

Daniël 8:14 – En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden [en] morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden (Statenvertaling).

Daniël 8:14 – De ander antwoordde: Pas over 2300 dagen zal het heiligdom in ere worden hersteld (Het Boek).

Daniël 8:14 – En hij zeide tot mij: avond, morgen, tweeduizend driehonderd; dan zal het heiligdom weer in rechte staat worden gebracht (KV Daniël, 156 – opnieuw uit de grondtekst vertaald).

Het is belangrijk te letten op de plaatsing van de woorden zoals in de vertaling van de grondtekst. Deze vertaling is hierboven weergegeven. Het is onjuist om deze passage te vertalen met 'tweeduizend driehonderd avonden en morgens', of avond-morgens. De bedoeling van het plaatsen van de woorden avond en morgen zonder verbinding naast elkaar, gevolgd door het getal 2300, is om aan te geven dat het 2300 maal hetzij avond, hetzij morgen worden zal voordat de donkere tijden voorbij zullen zijn. Met andere woorden, het zal 1150 dagen duren (KV Daniël, 165).

Wanneer de schrijver 'dagen' bedoeld heeft, dan was in de grondtekst zeker het Hebreeuwse woord voor dagen gebruikt, wat hier niet het geval is. In Daniël 12 wordt bijvoorbeeld wel het woord voor 'dagen' gebruikt.

Daniël 12:11 - En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen.

Daniël 12:12 - Welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijfendertig dagen bereikt.

Ook kan in aanmerking worden genomen dat in andere teksten waarin tijd een rol speelt, over het algemeen beide delen van de dag worden voorafgegaan door een getal. Terwijl periodes van telkens 24 uur worden bedoeld. In Daniël 8:14 over de 2300 avonden en morgens wordt slechts één keer het aantal vermeld. Het getal 2300 kan daarom moeilijk worden toegepast op zowel de avonden als de morgens, om zo tot 2300 tijdseenheden van een dag te komen.

Genesis 7:4 - Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen.

Job 2:13 - En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten.

1 Koningen 19:8 - Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.

Dat er niet eenvoudig van dagen gesproken wordt, ligt aan de gebeurtenissen zelf waarover het gaat in de Daniël 8:11-13: het gaat om het brandoffer dat elke morgen en iedere avond werd gebracht. Daarbij staat avond voorop omdat in de Hebreeuwse tijdrekening de dag met de avond begon. De volle honderdtallen schijnen er wel op te wijzen dat we met een afgerond getal hebben te doen, en het dus niet onmogelijk is dat de werkelijke tijdsduur enkele dagen korter of langer is geweest (KV Daniël, 165-166).

In vers 26 wordt vervolgens uitgelegd wat de betekenis is van het gezicht van de avonden en de morgens. Dit gaat terug op de tijdsbepaling omtrent de duur van de periode van de godsdienstvervolging van Antiochus.

Daniël 8:26 – En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid.

Over het eindpunt kan geen misverstand bestaan. Op 25 december van het jaar 165 voor Chr. werd het heiligdom weer in rechte staat gebracht, toen in de door Judas de Maccabeër gerestaureerde tempel voor het eerst weer naar de Mozaïsche inzettingen het dagelijkse morgen- en avondoffer werden gebracht voor de Here.

Wanneer wij vanaf deze datum 1150 dagen terug tellen komen wij uit op 27 oktober 168, 3 jaren en 58 dagen ervoor. Daarbij is rekening gehouden met de Joodse maanjaren van 354 dagen (12 maanden van 29 of 30 dagen) en met een schrikkelmaand van 30 dagen. Deze schrikkelmaand werd om de drie jaren ingelast, ter vereffening van het belangrijke verschil met het zonnejaar. In de 1150 dagen zitten in elk geval 3 jaren, zodat zeker één schrikkelmaand moet worden afgetrokken.

Het is niet precies bekend wanneer het bestendig offer is afgeschaft. Wel weten we dat op 25 december 168, drie volle jaren voor het herstel van de tempeldienst, het eerste heidense offer werd gebracht. Maar tien dagen ervoor was het altaar gebouwd, waarop de heidense offers zouden worden gebracht. En nog vroeger was het koninklijke besluit uitgevaardigd waarbij de Joodse eredienst officieel verboden werd. Dat toen de dagelijkse morgen- en avondoffers al niet meer gebracht werden is vanzelfsprekend. Helaas is de juiste datum van dit besluit onbekend (KV Daniël, 177-178).

1 Makkabeeën 1:54 – De vijftiende van Kislew van het honderdvijfenveertigste jaar (dit is het jaar 168 voor Christus) liet de koning de gruwel der verwoesting (de geheimzinnige aanduiding voor het afgodsaltaar) bouwen op het brandofferaltaar (Willibrord-vertaling).

1 Makkabeeën 1:59 – De vijfentwintigste van de maand werd er een offer opgedragen op het afgodsaltaar dat op het brandofferaltaar stond (Willibrord-vertaling).

Kortom: het is beslist niet uitgesloten dat deze datum 27 oktober 168 voor Christus is. Verder is nog bekend dat Antiochus IV Epiphanes in de lente van het jaar 168 naar het oosten, richting Kanaän vertrok. Ook hiermee wordt bevestigd dat in het jaar 168 deze gebeurtenissen uit de profetie van Daniël 8 hebben plaatsgevonden.

De 2300 avonden en morgens volgens adventisten

Adventisten leggen de avonden en morgens uit als dagen. Bovendien gaan zij uit van zinnebeeldige dagen en het gaat dus in werkelijkheid om een periode van 2300 jaren (AOZT, 117).

Met andere woorden: men zegt eerst dat de avonden en morgens uitgelegd moeten worden als dagen. Vervolgens maakt men duidelijk dat de avonden en morgens eigenlijk staan voor jaren. Beide uitleggingen spreken elkaar niet alleen tegen, men laat de tekst daarmee ook meer zeggen dan er staat.

In verschillende publicaties worden dan ook argumenten aangedragen waarom de voorkeur moet worden gegeven aan 2300 dagen in plaats van 1150. Opnieuw wordt met cursieve teksten aangegeven waarom deze argumenten niet overtuigend zijn.

"De 1150 dagen kunnen niet op overtuigende wijze worden ingepast in de ervaring van de joodse gemeenschap onder Antiochus Epiphanes" (AOZT, 117 – cursivering overgenomen);

Behalve dat door de schrijver aan dit argument geen enkel woord wordt toegevoegd om deze te onderbouwen, is bij de beschrijving van de 2300 avonden en morgens hierboven al aangetoond dat deze gebeurtenissen rondom de joodse tempeldienst wel degelijk hebben plaatsgevonden tijdens Antiochus. Deze gebeurtenissen worden ook nauwkeurig beschreven in de apocriefe boeken 1 en 2 Makkabeeën.

1 Makkabeeën 1:21,22 – Daar drong hij (Antiochus) in overmoed het heiligdom binnen, legde beslag op het gouden reukofferaltaar, de luchter met alles wat er bij hoort, de tafel van de toonbroden, de plengschalen, de bekers, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kransen en de gouden versierselen aan de voorgevel van de tempel en haalde overal de goudlaag af.

De uitdrukking 'avonden en morgens' (avonden-morgen) kan niet worden toegepast op het dagelijks offer. Dit offer werd nooit aangeduid als het avond- en morgenoffer. Men sprak altijd van ochtend- en avondoffer, niet andersom (AOZT, 117);

Er is in de tekst geen sprake van avond-morgens, zoals eerder al is aangegeven. De letterlijke vertaling van de grondtekst plaatst avond los van morgen. Het plaatsen van de avonden voor de morgens houdt verband met het begin van de dag in de avond volgens de Hebreeuwse tijdrekening. Enkel deze verwisseling kan geen aanleiding zijn om het verband met het dagelijks offer uit te sluiten.

De Joodse geleerden die het Oude Testament in het Grieks vertaalden, gingen ervan uit dat de 2300 avonden en morgens dagen waren (AOZT, 118);

Het gaat in 8:14 om de specifieke gebeurtenis van het brandoffer dat twee keer per dag aan de HERE werd gebracht. Mogelijk wordt dit onderscheid juist gebruikt om te benadrukken dat zowel het avondoffer als het morgenoffer als onderdeel van de religieuze handelingen van die tijd door Antiochus Epiphanes werden verboden. Wanneer 'dagen' bedoeld waren had het Hebreeuwse woord voor dagen in de grondtekst gestaan.

De ontheiliging van de tempel door Antiochus duurde slechts 1080 dagen volgens 1 Makkabeeën 1 en 4. Dus zelfs al waren de 2300 dagen precies 1150 letterlijke dagen, dan zit men nog steeds 70 dagen naast het aantal van 1150 dagen – laat staan van de 2300! Dit tijdschema is wel heel erg onnauwkeurig (ABV, 81).

Zoals hiervoor als is aangegeven is het aantal van 1150 dagen zeer aannemelijk en mag deze mogelijkheid zeker niet worden uitgesloten.

naar begin van document

Copyright © 2000-2008 G. Roelofs