|
voorpagina > 1844 > de kleine horen
De kleine horen
Zowel in Daniël 7 als 8 wordt gesproken van een kleine horen. Het is verleidelijk om aan te nemen dat beide keren hetzelfde bedoeld wordt. Zoals in de uitleg van beide hoofdstukken blijkt, is dit dan ook niet het geval. Maar om dit vast te stellen is allereerst gekeken of de teksten uit de beide hoofdstukken hiertoe voldoende aanleiding geven.
De overeenkomsten:
| • | in beide hoofdstukken wordt gesproken van een kleine horen die vervolgens groot wordt (7:20 en 8:9 vv.); |
| • | aan beide horens worden menselijke eigenschappen toegekend: mensenogen, een mond (7:8), en menselijke handelingen (8:10 vv.); |
| • | beide horens staan vijandig tegenover God (7:25 en 8:11,25) en vervolgen de gelovigen (7:21,25 en 8:24,25). |
De verschillen:
| • | de kleine horen uit 7:8 rijst op uit de kop van het vierde dier, midden tussen andere horens; de horen van 8:9 groeit als een uitsteeksel aan een andere horen; |
| • | in hoofdstuk 8 worden van de horen persoonlijke eigenschappen beschreven (8:23); dit is niet het geval in hoofdstuk 7; |
| • | in hoofdstuk 7 heeft de horen ogen en een mond (7:8), in hoofdstuk 8 niet; |
| • | de horen uit hoofdstuk 8 richt zich tegen het land en het volk van de Joden (8:9, 24 vv.), terwijl de horen uit hoofdstuk 7 zich richt tegen de heiligen des Allerhoogsten, de gelovigen (7:18); |
| • | van de horen uit hoofdstuk 8 worden verschillende daden beschreven die met de eredienst te maken hebben (8:11,12), wat niet het geval is in hoofdstuk 7; |
| • | de heerschappij van de horen uit hoofdstuk 7 duurt tot de wederkomst van Christus, hiervan is in hoofdstuk 8 geen sprake maar wordt geschreven over de onverwachte dood van de koning; |
| • | in hoofdstuk 7 bestaat een verband tussen het oordeel over de horen en de vernietiging van het vierde dier, terwijl de val van de horen in hoofdstuk 8 op zichzelf staat; |
| • | in hoofdstuk 7 ontvangen de vervolgden het eeuwig koninkrijk (7:18), in hoofdstuk 8 is dit niet het geval voor de door de horen vervolgde Joden; |
| • | de horen uit hoofdstuk 7 wordt vergeleken met vroegere machten (7:24); hierover wordt niet geschreven in hoofstuk 8; |
| • | de kleine horen brengt in hoofdstuk 7 drie horens ten val (7:8,24); daarvan is in hoofdstuk 8 geen sprake. |
Bovendien kunnen nog twee andere verschillen worden genoemd:
| • | in hoofdstuk 7 wordt gesproken van het veranderen van tijden en wet (7:25), wat niet gelijkgesteld mag worden met de godsdienstvervolging in 8:11; |
| • | de tijdsaanduiding van een tijd, en tijden en een halve tijd (7:25) komt niet overeen met de 2300 avonden en morgens van 8:14. |
Het allereerste verschil is een belangrijk punt. De dieren in beide hoofdstukken beelden grote wereldmachten uit. In hoofdstuk 8 beelden de horens op de kop van dieren weer onderdelen van die wereldmachten uit, ze zijn eruit samengesteld of komen er uit voort. De tien horens in hoofdstuk 7 zijn dus zo goed als zeker machten die uit het vierde rijk voortkomen. De kleine horen in hoofdstuk 7 is daarom een macht die uit het vierde rijk voortkomt. De kleine horen in 8:9 is volgens vers 23 vv. echter een koning die over het rijk regeert, dat door de hoorn waaraan hij uitgroeit wordt afgebeeld. Daarom worden in 8:23 ook persoonlijke eigenschappen van de kleine horen genoemd, en in hoofdstuk 7 niet.
De verschillen in de beschrijvingen zijn duidelijk groter dan de overeenkomsten, en zeker in het licht van het hiervoor genoemde, mag vastgesteld worden dat de kleine horen uit Daniël 7 niet hetzelfde representeert als de kleine horen uit hoofdstuk 8 (KV Daniël, 143-145).
De binnen de context uitstekend passende verschillende voorstellingen antichrist en Antiochus Epiphanes ondersteunen deze tekstverklaring:
| • | Daniël 7 gaat over de toekomst van de hele wereld, Daniël 8 gaat over de toekomst van het Joodse volk en de tempeldienst; |
| • | Daniël 7 stelt de wereldmachten voor als onreine dieren, de voorstelling van de wereldmachten in Daniël 8 gebeurt met offerdieren; |
| • | Daniël 7 is geschreven in het Aramees, de taal die rond de Perzische tijd de algemene internationale taal was; Daniël 8 is geschreven in het Hebreeuws, de taal van het Joodse volk in de tijd van het Oude Testament. |
De kleine horen volgens adventisten
Adventisten zien de kleine horen uit zowel Daniël 7 als 8 als de paus, pauselijk Rome of de Rooms-katholieke kerk, en niet als de antichrist. Gemakkelijk wordt vervolgens de link gelegd met 7:25 waar wordt aangegeven dat de kleine horen tijden en wet zal veranderen. Deze wijziging van tijden en wet wordt dan uitgelegd als de verandering van de sabbat naar de zondag door het pauselijke Rome.
Hiertegen is het argument aan te dragen dat in Daniël 7 sprake is van hevige onderdrukking en vervolging totdat de kleine horen geoordeeld wordt. Hoewel het pausdom in vroegere tijden christenen heeft vervolgd, is dat nu niet meer op die manier het geval en heeft het christendom zijn plaats veroverd naast de roomse leer. Ga zelf na hoe weinig het pauselijk Rome betekent voor niet-rooms-katholieken. De paus heeft sterk aan macht ingeboet, terwijl de antichrist nog steeds actief is.
Ook Ellen White is hiervan doordrongen wanneer zij schrijft: "De 1260 jaar van pauselijke suprematie begonnen in 538 na Chr. en eindigden dus in 1798. In dat jaar trok het Franse leger Rome binnen, nam de paus gevangen en voerde hem in ballingschap. Toen de paus stierf, was hij nog altijd uit Rome verbannen. Hoewel er onmiddellijk na zijn dood een nieuwe paus werd verkozen, zijn zijn opvolgers er nooit in geslaagd dezelfde macht uit te oefenen als vroeger" (GS, 253).
Van de kleine horen wordt verder in Daniël 7 geschreven dat de kleine horen zijn heerschappij pas zal verliezen wanneer het oordeel komt en Christus alle macht gegeven wordt. Wanneer adventisten de tijd, tijden en halve tijd uit 7:25 zien als 1260 jaren die eindigen in 1798 kan deze kleine horen dus niet van toepassing zijn op de paus. Deze 1260 jaren kunnen niet eindigen in 1798 én op de dag van het oordeel. Op deze dag van oordeel zal de antichrist voorgoed alle macht worden ontnomen en geoordeeld worden.
Bovendien spreken een aantal teksten uit het Nieuwe Testament vóór het rijk van de antichrist als verklaring van de kleine horen uit Daniël 7. Er wordt gesproken over de Godslasterlijke houding van de antichrist, van zijn strijd tegen de godvrezenden en van zijn ondergang bij de wederkomst van Christus (KV Daniël, 150).
2 Thessalonicenzen 2:4 De tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
1 Johannes 2:22 Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.
1 Johannes 4:3 En iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist waarvan hij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld.
2 Johannes 7 Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist.
Openbaring 13:5,6 En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; dn hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen. En (het beest) opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen.
Openbaring 13:7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk.
2 Thessalonicenzen 2:8 Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.
Openbaring 19:20 En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet, die de tekenen voor zijn ogen gedaan had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbaden; levend werden zij beiden geworpen in de poel des vuurs, die van zwavel brandt.
Het is wel mogelijk om de paus te zien als een van de vele antichristen die zullen opstaan, aangezien de paus wel enkele antichristelijke kenmerken in zich vertegenwoordigd. Vanwege bovengenoemde redenen is het echter beter om in de context van Daniël 7 de uitleg van antichrist te gebruiken.
1 Johannes 2:18 Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is.
Over het 'veranderen van tijden en wet' kan worden gezegd dat dit zou kunnen slaan op de Joodse, op gezette tijden terugkerende, feesten en de Mozaïsche wet, maar het is niet zo dat ze daarop moeten slaan. De gebruikte woorden dragen een algemeen karakter en worden niet in het godsdienstig spraakgebruik gebezigd. In de Aramese gedeelten van de Bijbel komt het hier gebruikte woord voor 'tijd' uitsluitend in algemene zin voor en heeft het nooit de betekenis van een religieus feest. Als dit hier zo was, zou dat de enige plaats zijn. Verder komt het woord 'wet' in Daniël vaker niet dan wel in religieuze zin voor.
Het is dus de vraag of bij 'veranderen van tijden en wet' aan anti-religieuze maatregelen als het veranderen van de sabbat moet worden gedacht. Het verdient de voorkeur om in ruimere zin te denken aan de antichrist die zal proberen om de wereldgeschiedenis naar zijn hand te zetten en om het hele cultuurleven naar zijn eigen inzicht en wil zijn eigen wetten op te leggen en daarmee de Geest te dwarsbomen (KV Daniël, 151).
Ook de kleine horen in Daniël 8 representeert volgens adventisten het pauselijk Rome en niet Antiochus Epiphanes. Hiervoor worden diverse argumenten aangevoerd. Hieronder wordt op deze argumenten ingegaan en wordt geprobeerd aan te geven in schuingedrukte tekst - dat dit geen steekhoudende argumenten zijn.
| • | De kleine horen komt voort uit de vier windrichtingen, want 'uit één daarvan' in Daniël 8:9 betekent letterlijk 'uit één van hen' waarin 'hen' van geslacht mannelijk is; 'hen' kan dus alleen verwijzen naar windstreken (mannelijk / vrouwelijk) en niet naar horen, dat van geslacht vrouwelijk is (AOZT, 99-100); |
| De kleine horen groeit niet vanuit de windstreken, vanuit het niets! Met dit argument gaat men voorbij aan de volgorde in de profetie waarbij de grote horen op de kop van de geitebok afbreekt en plaats maakt voor 4 andere horens waarna uit één van deze horens een kleine horen groeit. De kleine horen komt nergens in Daniël voor zonder te zijn verbonden aan het lichaam van een dier. |
| • | De horens vertegenwoordigen koninkrijken en Antiochus was slechts een afzonderlijke koning, als het ware een deel van een van de vier horens (AOZT, 100); |
| Dat de kleine horen een koning representeert en niet een rijk wordt verbeeld door de kleine horen die aan een andere horen groeit, en niet vanuit de kop van de geitebok groeit of de plaats van een andere horen of andere horens inneemt. |
| Bovendien kan wanneer men de kleine horen niet vanuit één van de windstreken, maar uit één van de vier horens ziet opkomen als argument tegen de interpretatie van de kleine horen in Daniël 8 als het pauselijke Rome worden aangedragen dat het Romeinse rijk niet voortkomt uit een van de vier rijken die het rijk van Alexander de Grote opvolgen. |
| • | Antiochus Epiphanes verscheen niet in het 'laatst van hun koningschap' (8:23), zijn regeringsperiode is te plaatsen in het midden van de Seleucidische dynastie (AOZT, 100); |
| Dit is wel zeer toegespitste kritiek. Men mag niet afleiden dat de bedoeling zou wezen dat met het optreden van Antiochus de geschiedenis van de Diadochen-rijken (de vier rijken na Alexander de Grote) geheel zou zijn afgelopen. De bedoeling is aan te geven dat in deze periode die rijken beginnen te vervallen. Al hebben enkele Diadochen-rijken nog na Antiochus bestaan, de zelfstandige macht van deze rijken is door het Romeinse rijk tot een eind gekomen, waarvan deze rijken al meer afhankelijk werden (KV Daniël, 172). |
| • | Er was geen sprake van dat alles Antiochus gelukte (8:12) of dat hij zeer groot werd zoals in hoofdstuk 8:9 (AOZT, 101); |
| Een betere vertaling van de grondtekst in plaats van 'en wat hij ook deed, gelukte hem' is 'hij was in zijn doen voorspoedig'. Alles met betrekking tot de instelling van een nieuwe anti-goddelijke eredienst is Antiochus gelukt. Dat de horen zeer groot werd heeft Daniël waarschijnlijk niet op dié manier gezien, maar is beschrijvend voor het anti-goddelijke (8:10) en de vervolging van de Joden in het land Kanaän, het Sieraad (KV Daniël, 172;160). Vers 9 vergelijkt de kleine horen ook niet met vroegere machten, maar geeft met de beschrijving van het groot worden zijn veroveringen naar het zuiden (Egypte) en het oosten aan, waarbij hij tussendoor ook over Kanaän heenloopt. |
| • | Jezus heeft volgens Mattheüs 24:15 gezegd dat Daniëls gruwel der verwoesting (9:27) nog in de toekomst lag (AOZT, 101); |
| Jezus uitspraak heeft niet betrekking op de gruwelen (meervoud) van Daniël 9:27. Het is dan ook niet juist om bij het woord gruwel alleen aan dit vers te denken. Een betere aansluiting is te vinden in 11:31 en 12:11 waar dezelfde uitdrukkingen 'gruwel' en 'verwoesting' wordt gebruikt als in Mattheüs 24:15. Beide verzen uit Daniël hebben betrekking op het in de tijd van Antiochus opgerichte altaar voor Zeus Olympios, waarop o.m. zwijnen geofferd werden. De aanvankelijke vervulling van beide verzen in de tijd van Antiochus sluiten een latere, volkomen vervulling echter niet uit. Gedacht kan worden aan de profanatie van het heiligdom vóór en bij de inneming van Jeruzalem (KV Mattheüs, 149). |
| • | De ontering van de joodse tempel is niet in te passen in het tijdsbestek van de 2300 avonden en morgens (8:14). 1 Makkabeeën 1:54-59 en 4:52-54 geven aan dat de interruptie drie jaar en 10 dagen duurde (AOZT, 101); |
| Zie de paragraaf over de 2300 avonden en morgens |
| • | In 8:11 en 8:14 wordt in de grondtekst het woord 'tamid' gebruikt. Veelal wordt dit vertaald met 'dagelijks offer'. Dit woord symboliseert in Daniël echter het voortdurende priesterschap van Christus. Pauselijk Rome heeft het hogepriesterlijke werk van Christus in het hemels heiligdom verdoezeld en het dagelijkse offer weggedaan en de heilige woning ter aarde geworpen (8:11) door zichzelf absolute macht toe te kennen, de biecht, boetedoening en aflaten in te stellen, door haar leer over de transsubstantiatie, en door de rustdag op zondag te vieren (AOZT, 102;110;116). Dat kan van Antiochus niet gezegd worden. |
| Hier wordt ten onrechte een koppeling gelegd tussen het herstel van het heiligdom (8:14) en de Grote Verzoendag. Zie de paragraaf over het hemels heiligdom |
Ondanks de vele verschillen en argumenten blijven adventisten de kleine horen uit Daniël 8 zien als pauselijk Rome in plaats van Antiochus. Daarvoor is echter wel een reden te noemen. Een adventistische schrijver geeft precies aan waar het probleem voor adventisten ligt:
Als Antiochus die de tempel in Jeruzalem ontheiligde de kleine horen was, dan zouden de profetieën van Daniël 8 zelfs voor de geboorte van Jezus zijn vervuld, wat 1844 tot een weergaloze flop maakt (ABV, 81).
|