Kies een pagina bij: of
7daweb.com
 1844 - heiligdom - oordeel laatste wijziging 25 juni 2000 

voorpagina > 1844

De leer van het hemelse heiligdom en het onderzoekend oordeel is gebaseerd op bevindingen van pioniers binnen het Kerkgenootschap van de Zevende-dags Adventisten. Deze leer legt een koppeling tussen de Grote Verzoendag en het binnengaan van het hemelse heilige der heilige door Christus in 1844, het jaar dat oorspronkelijk werd genoemd als het jaar van de wederkomst van Christus. Wanneer deze leer in het licht van de Bijbel wordt gehouden, wordt duidelijk dat deze leer niet alleen op veel aannames is gebaseerd, maar ook de Bijbel tegenspreekt.

1844 - het hemels heiligdom - het onderzoekend oordeel

Het jaar 1844

"De zevende-dags adventisten kwamen voort uit de Millerbeweging in de jaren veertig van de vorige eeuw. William Miller, de oprichter en leider van deze groep, fundeerde zijn leer dat de wederkomst van Christus 'rond 1843' zou plaatsvinden hoofdzakelijk op de interpretatie van Daniël 8:14. In dit heiligdom zag Miller aanvankelijk de kerk, later de wereld en de kerk. Hij trok de conclusie dat het herstel of de reiniging van het heiligdom door het vuur van de jongste dag zou gebeuren, bij de wederkomst van Christus" (AC, 72).

Daniël 8:14 – En hij zeide tot mij: tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.

"Hij nam het principe over dat in Numeri 14:34 en Ezechiël 4:4-6 wordt beschreven, namelijk dat bij profetische tijdrekeningen één dag gelijk is aan één jaar. Als gevolg daarvan kwam hij met de tweeduizend driehonderd jaren, beginnend in 457 v. Christus, uit in het jaar 1843 – dat wil zeggen 1843/1844, van het voorjaar tot het voorjaar gerekend – een tijdsperiode waarin hij de wederkomst van Christus verwachtte. Een correctie op deze berekening leidde later tot de verwachting dat de wederkomst op 22 oktober 1844 zou plaatsvinden, de tiende dag van de zevende joodse maand, waarop de Grote Verzoendag viel" (AC, 72).

Numeri 14:34 – Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer.

Ezechiël 4:4,6 – En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheden dragen. En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen. Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op.

"Toen de lang verwachte dag aanbrak, verzamelden de adventgelovigen zich in groepen om gezamenlijk zingend en biddend de grote gebeurtenis af te wachten. Maar de dag verstreek zonder dat er iets bijzonders gebeurde. De aanhangers van Miller waren verbijsterd. Hun hoop was de bodem ingeslagen. Hun blijdschap maakte plaats voor diepe teleurstelling" (ABV, 7).

"Op 23 oktober 1844, de dag na de Grote Teleurstelling, liep Hiram Edson, sympathisant van de Millerbeweging, over het veld en kwam plotseling de overtuiging bij hem op 'dat onze Hogepriester in plaats van op de tiende dag van de zevende maand aan het einde van de tweeduizend driehonderd dagen vanuit het heilige der heiligen naar de aarde te komen, op die dag voor het eerst in de tweede afdeling van het hemelse heiligdom binnenging en dat Hij daar in het heilige der heiligen eerst een werk te voltooien heeft voordat hij naar de aarde terugkomt'. Het werd Edson duidelijk dat het heiligdom dat gereinigd moest worden niet de aarde of een deel daarvan was, maar het hemelse heiligdom en dat de 22ste oktober 1844 niet het einde van de hemelse Grote Verzoendag betekende, maar het begin" (AC, 73).

Ellen White schrijft hierover:

"Maar God had de leiding van de Adventbeweging in handen. Hij had zijn kracht en heerlijkheid in het werk geopenbaard en zou niet toelaten dat het in duisternis en teleurstelling eindigde of werd gebrandmerkt als een valse, fanatieke rage" (GS, 385).

"Adventisten hebben zich vergist in de aard van de gebeurtenis die zou plaatsvinden aan het einde van de 2300 avonden en morgens" (GS, 329).

"God wilde zijn volk toetsen. Zijn hand bedekte een fout in de berekening van de profetische tijdperken" (GS, 349).

"De uitwerking door O.R.L. Crosier van de idee van Edson dat de hemel het heiligdom zou zijn, werd het fundament van dit belangrijke standpunt van de eerste zevende-dags adventisten" (AC, 73).

"Later werd de visie ontwikkeld dat de reiniging van het heiligdom ook een werk van oordeel inhield" (AC, 74).

Het hemels heiligdom

"Het heiligdom was in het oude testament voor het Hebreeuwse volk de centrale plaats van aanbidding. Het eerste heiligdom was de tabernakel die Mozes in de woestijn liet maken. […] De oudtestamentische heiligdomsdienst bestond duidelijk uit twee fasen: de gewone, dagelijkse dienst die gedurende het gehele jaar werd verricht en waardoor de berouwvolle zondaar van zijn zondeschuld werd bevrijd en de dienst op de Grote Verzoendag, die één keer in het jaar plaatsvond. Op die dag werden de zonden van het gehele jaar vergeven en werd het heiligdom gereinigd" (AC, 71).

"De zevende-dags adventisten zien in deze dagelijkse en jaarlijkse dienst een zinnebeeld van het priesterlijke werk van Christus in het hemelse heiligdom. Zij zien in de dagelijkse dienst een uitbeelding van de dienst van Christus voor iedere zondaar vanaf het moment van Christus’ hemelvaart tot aan het begin van de hemelse Grote Verzoendag. Zij geloven dat de ceremonieën van de Grote Verzoendag op een bijzonder werk wijzen dat Christus aan het einde van de christelijke bedeling uitvoert. Het is een werk van oordeel, met als resultaat dat alle zonden die beleden zijn uit de hemelse boeken worden uitgedelgd en tevens de namen van allen die Christus hebben afgewezen uit het boek des levens worden weggedaan. Zij geloven dat deze eindfase nu gaande is – sinds 1844, een datum die van de profetische tijdrekening in Daniël 8:14 is afgeleid" (AC, 72).

"De brief aan de Hebreeën schetst de oudtestamentische heiligdomsdienst als een zinnebeeld van de plaatsvervangende verzoening van Christus op Golgotha en van zijn dienst als Middelaar na de opstanding. Op grond daarvan achten de zevende-dags adventisten de kennis van de oudtestamentische heiligdomsdienst van essentieel belang om het verlossingsplan beter te kunnen begrijpen" (AC, 72).

Hebreeën 8,9,10 – Over de hogepriester van het nieuwe verbond, het heiligdom op aarde en in de hemel en de nieuwe ordening, en het volmaakte offer van Christus.

Het onderzoekend oordeel

"De leer van het onderzoekend oordeel is een wezenlijk deel van de heiligdomsleer en heeft vooral te maken met de symbolische vervulling van de oudtestamentische Grote Verzoendag. In het kort: tijdens de Grote Verzoendag legde ieder van het volk van God op symbolische wijze zijn verantwoording af over zijn verhouding tot God. Aan het einde van deze bijzondere dag vond de algehele uitdelging der zonden plaats die, zoals bekend, tijdens het voorafgaande jaar waren vergeven en symbolisch op het heiligdom waren overgedragen. Het heiligdom werd op deze manier 'gereinigd' van deze zonden" (AC, 94).

"Het onderzoekend oordeel is een adventistische uitdrukking die de periode omschrijft die aan het grote eindoordeel vooraf gaat. […] Deze fase wordt het onderzoekend oordeel genoemd, omdat in die tijd het leven van al degenen wordt onderzocht die ooit de belijdenis aflegden dat zij de verlossing in Christus hebben aangenomen en van wie de namen daarom in het 'boek des Lams' staan geschreven. Het onderzoekend oordeel heeft voor hen de betekenis dat hun aanspraak op het burgerrecht in Gods eeuwige koninkrijk wordt bevestigd. Aan het einde van het onderzoekend oordeel worden de zonden van al degenen die tot aan het einde hebben volgehouden, uit de gedenkboeken 'uitgewist' en worden de namen van alle anderen uit het levensboek verwijderd" (AC, 93).

Dus naar analogie van de Grote Verzoendag, zoals deze werd gevierd in het Oude Testament, is volgens adventisten in 1844 de reiniging van het hemels heiligdom begonnen, waarbij de zonden van de volgelingen van Christus worden weggedaan.

"De adventistische opvatting gaat ervan uit dat, gezien het feit dat Christus bij zijn wederkomst iedereen het loon geeft naar hun daden, het onderzoek over het leven van alle mensen moet hebben plaatsgevonden voordat Jezus wederkomt om op de aarde zijn uitverkorenen te vergaderen" (AC, 93).

Openbaring 22:12 – Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is.

Romeinen 2:5-11 – Maar in uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder zal vergelden naar zijn werken (vv.)

"God behoeft niet ieders levensgeschiedenis te onderzoeken om te beslissen wie er voor verlossing in aanmerking komt. Maar terwille van alle geschapen wezens is het goed dat alle feiten bekend worden die het lot van elk mens hebben bepaald – als een gewisheid voor allen dat recht is gedaan en als een garantie voor de eeuwige duur van de goddelijke heerschappij" (AC, 94).

Leviticus 16 – Over de Grote Verzoendag

Opmerkelijke uitspraken

"Ondanks alles wat in de kerk zelf gebeurt, bewijst de leerstelling van 1844 boven alle twijfel dat de Kerk der Zevende-dags Adventisten de laatste gemeente is uit de bijbelse profetie en dat onze boodschap de tegenwoordige waarheid is" (ABV, 14).

"Als '1844' niet bijbels is, is onze boodschap gebaseerd op valse gronden – dan zijn wij een valse kerk, die een valse boodschap leert en mensen op een valse weg omlaag leidt. Of 1844 is waar en wij hebben de waarheid, óf ze is vals en wij koesteren geërfde en beuzelachtige leugens" (ABV, 15).

Zie verder:
Fundamentele geloofspunten ZDA nr. 23

De Bijbel - 1844 weerlegd

De doctrine van het hemels heiligdom en het onderzoekend oordeel is alleen te vinden bij de zevende-dags adventisten en is ontwikkeld door de eerste adventisten en Ellen White. De leer van het hemels heiligdom berust met name op de interpretatie van enkele hoofdstukken uit het boek Daniël. Voor een goed begrip van de problematiek zal eerst een uitleg worden gegeven van deze hoofdstukken uit Daniël, te weten de hoofdstukken 7,8 en 9. Vervolgens zal op de interpretatie van de adventisten worden ingegaan.

De uitleg van Daniël

Het boek Daniël geeft een beschrijving van het verloop van de wereldgeschiedenis en wat de geschiedenis het volk van Israël brengen zal. Ook de dood van Christus wordt verkondigd en de tijd die Gods volk moet lijden. Het boek dient ter bemoediging van Daniël en laat ook aan de latere Joden zien dat Gods macht sterker is dan alle wereldse machten. Deze betekenis heeft het boek ook voor de Christelijke kerk van alle tijden (KV Daniël, 35).

In hoofdstuk 7 wordt het droomgezicht van de vier dieren weergegeven, samen met de uitleg. De leeuw, de beer, de panter en het vierde dier met de tien horens verwijzen naar vier rijken die elkaar zullen opvolgen in de wereldgeschiedenis: het Babylonische, het Medo-Perzische, het Grieks-Macedonische en tenslotte het Romeinse rijk. Uit het Romeinse rijk komt vervolgens niet opnieuw één groot rijk voort, maar het zal opgevolgd worden door een onbepaald aantal verschillende nieuwe rijken en culturen (de tien horens). Deze zullen elkaar in evenwicht houden totdat het wereldgericht komt en Christus alle heerschappij op zich neemt (zie ook 2:44). Verschillende culturen, niet alle, zullen plaats maken voor het rijk van de antichrist (de kleine horen) dat net als de tien horens uit het Romeinse rijk voortkomt. Het betreft een rijk van een andere aard dan de andere rijken. Deze antichrist zal zich vijandig tegenover God en Gods volgelingen opstellen, maar uiteindelijk veroordeeld worden. Als aan Christus het koninkrijk gegeven wordt zullen ook alle gelovigen hierin delen.

De ram met de twee horens in hoofdstuk 8, het Medo-Perzische rijk, wordt verslagen door de geitenbok met de opvallende horen tussen zijn ogen, het Grieks-Macedonische rijk. Na de dood van Alexander de Grote valt dit rijk uiteen in vier kleinere rijken: Egypte, Syrië, Macedonië en Thracië. Deze vier rijken worden uitgebeeld door de vier horens die in de plaats van die ene grote horen komen. De zijtak die aan een van deze vier horens verschijnt, de kleine horen, staat voor Antiochus IV Epiphanes uit Syrië (175-164 voor Chr.). Dat blijkt uit de beschrijving van het karakter en het optreden van deze koning. Hij heeft als geen ander de Joden vervolgt, en de eredienst en alle religieuze gebruiken verboden. Deze toestand duurde tot 25 december 165 voor Christus, toen voor het eerst weer het dagelijkse avond- en morgenoffer gebracht werd in de gerestaureerde tempel. God zelf heeft Antiochus te gronde gericht door een geheimzinnige ziekte waaraan hij overleed.

In hoofdstuk 9 doet Daniël uit naam van zijn volk belijdenis van schuld naar aanleiding van de profetie van Jeremia 29:10 waarin aangegeven wordt dat Jeruzalem en de tempel op de heilige berg Zion zeventig jaar lang vernederd zullen worden door de Babelse heerschappij (zie ook Jeremia 25:11-12). Vervolgens laat de engel Gabriël aan Daniël een woord-openbaring zien, waarin aan Daniël wordt getoond dat na verloop van een bepaalde tijdsperiode alle zonden en schuld volkomen zullen worden vergeven, ook die van Daniëls volk. En dat daarmee de hele profetie vervuld wordt en, in aansluiting op de schaduwachtige tempeldienst in Jeruzalem, een volledig nieuwe dienst van God ingezegend wordt.

Adventisten geven een geheel andere uitleg aan verschillende elementen uit de hoofdstukken 7 t/m 9 van Daniël. Allereerst zien zij de kleine horen uit de hoofdstukken 7 en 8 als pauselijk Rome. Daarnaast zien zij de beschreven 2300 avonden en morgens uit hoofdstuk 8 als 2300 jaren, en mogen volgens hen de zeventig zeventallen uit hoofdstuk 9 worden uitgelegd als 70 x 7 = 490 jaren. Tenslotte wordt volgens de adventistische visie het gezicht uit Daniël 8:14 pas uitgelegd in het visioen van hoofdstuk 9.

Zie voor elk van deze onderwerpen onderstaande links:
De kleine horens uit Daniël 7 en 8 – staan beide voor hetzelfde?
Zijn de 2300 avonden en morgens (Daniël 8:14) gelijk aan 2300 jaren?
Staan de zeventig zeventallen (Daniël 9:24) voor 490 jaren?
Wordt het gezicht van Daniël 8:14 uitgelegd in Daniël 9?

Het hemels heiligdom

Adventisten geven niet alleen een verkeerde uitleg aan de 2300 avonden en morgens uit Daniël 8:14, op basis van dit vers wordt tevens onterecht een koppeling gelegd met het Levitische heiligdom dat gereinigd wordt op de Grote Verzoendag. In de adventistische uitleg wordt gesproken over de reiniging van het hemelse heiligdom, dat de uiteindelijke vervulling van de Grote Verzoendag, als schaduw van het offer van Christus, zou voorstellen.

"Deze koppeling is gebaseerd op de veronderstelling dat het werkwoord dat in Daniël 8:14 in verband met het heiligdom wordt gebruikt, nitsdaq, moet worden vertaald met 'gereinigd' in plaats van 'hersteld'. Het gebruik van 'gereinigd' is te vinden in enkele vertalingen, bijvoorbeeld de Petrus Canisius-vertaling, de Engelstalige King James-vertaling, en enkele antieke vertalingen van het Oude Testament, de Septuaginta en de vertaling van Theodotius" (AOZT, 118-119).

Daniël 8:14 – Dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden (NBG).

Daniël 8:14 – Dan zal de tempel weer in ere hersteld worden (Groot Nieuws Bijbel).

Daniël 8:14 – Dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden (Statenvertaling).

Daniël 8:14 – Pas over 2300 dagen zal het heiligdom in ere worden hersteld (Het Boek).

Daniël 8:14 – Dan zal het heiligdom weer in rechte staat worden gebracht (KV Daniël, 156 – opnieuw uit de grondtekst vertaald).

Daniël 8:14 – Dan zal het heiligdom gereinigd worden (Petrus Canisius-vertaling).

Daniël 8:14 – Then shall the sanctuary be cleansed (King James-vertaling).

"Het woord nitsdaq is afgeleid van het Hebreeuwse woord tsadaq, dat in de juridische zin van 'rechtvaardigen' wordt gebruikt. De Statenvertaling geeft de meest letterlijke vertaling van Daniël 8:14 met 'dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden' " (AOZT, 118).

Verschillende uitleggers geven op basis van dit gegeven als uitleg dat aan het ontwijde heiligdom recht zal worden gedaan en de daarop rustende smaad zal worden afgewenteld. Het is echter eenvoudiger om aan een herstellen van de rechte, normale toestand van het heiligdom te denken (KV Daniël, 166).

Het merendeel van de vertalers kiest dan ook voor de vertaling van het woord nitsdaq het werkwoord 'hersteld' (zie de verschillende vertalingen van Daniël 8:14 hierboven).

Niettemin wordt in de adventistische verklaring voortgeborduurd op de vertaling 'gereinigd' en een koppeling gelegd met Yom Kippur, ook wel de Grote Verzoendag of Dag der Verzoening genoemd:

"Yom Kippur werd en wordt gevierd op de tiende dag van de zevende maand van het joodse jaar (ongeveer oktober). De Bijbel tekent deze dag als de meest plechtige van het godsdienstige jaar. Het was de enige dag waarop het de hogepriester werd toegestaan het heilige der heiligen te betreden. De beleden zonden van het volk werden als het ware vastgelegd in de tabernakel doordat de priester een gedeelte van het offerbloed sprenkelde op het gouden altaar en op de vloer vlak voor het voorhangsel dat het heilige der heiligen scheidde. Zonde is zo afschuwelijk dat zelfs het binnendragen van beleden en vergeven zonden het heiligdom verontreinigde. Het reinigingsritueel van de hogepriester was uiteraard geen alledaagse schoonmaak, maar een reiniging van de zonden, dat wil zeggen van ongerechtigheid. In zekere zin was er dan ook sprake van een 'rechtvaardiging' of een 'in rechten herstellen' van het heiligdom. Het gebruik van het unieke nitsdaq in Daniël 8:14 met zijn vele betekenissen is dan ook alleszins toepasselijk" (AOZT, 119-120).

Leviticus 16:16 – Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden.

Door de koppeling met Leviticus wordt ook een koppeling met het boek Hebreeën mogelijk gemaakt, waaruit dan ook complete hoofdstukken worden aangedragen om de link met Daniël 8:14 te rechtvaardigen.

Hebreeën 9:23 – Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze.

Waarna geconcludeerd wordt dat 2300 jaar na een bepaalde datum het hemelse heiligdom wordt gereinigd door een bepaalde handeling van Christus.

Daniël 8:14 betreft niet het hemelse heiligdom

Zoals bij de uitleg van Daniël 8 en bij de behandeling van de kleine horen, de 2300 avonden en morgens en de zeventig zeventallen beschreven is, gaat het in Daniël 8:14 om het aardse heiligdom, de tempel die door Antiochus werd ontwijd en op 25 december 165 in ere werd hersteld. Deze gebeurtenissen in en rondom de tempel in Jeruzalem worden aan Daniël getoond en beschreven in Daniël 8. Ook andere historische beschrijvingen en 1 en 2 Makkabeeën bevestigen deze uitleg. Er is geen enkele aanleiding om bij dit hoofdstuk aan een 'hemels heiligdom' te denken.

Wat moet anders gedacht worden van 8:11 waar gesproken wordt over het neerwerpen van de heilige woning? Het gaat hier om het plunderen, afbreken en verbranden van de tempel door Antiochus.

Daniël 8:11 – Zelfs tegen de vorst van het heer maakte hij zich groot, en Hem werd het dagelijks offer ontnomen en zijn heilige woning werd neergeworpen.

Bovendien is het tweede deel van 8:11 niet in te passen in dit standpunt. Daar wordt gesproken over het dagelijkse offer dat niet meer aan God kon worden gebracht. Het gebruikte woord 'ontnomen' duidt op een onvrijwillige stopzetting van dit offer. Hoe moet dit worden gezien wanneer van het hemels heiligdom wordt gesproken?

De koppeling met de Grote Verzoendag komt ook op losse schroeven te staan omdat in 1844 Yom Kippur niet op 22 oktober maar op 23 september van dat jaar gevierd werd.
De Grote Verzoendag in 1844: 23 september!

Het onderzoekend oordeel

Met het binnengaan van Christus in het hemelse heiligdom in 1844 is volgens adventisten het onderzoekend oordeel begonnen. Ellen White geeft hiervan een gedetailleerde beschrijving in haar boek De Grote Strijd, waarbij ze zelfs Satan een rol laat spelen bij het verlossingswerk van Christus!

"De 'komst van Christus' (Daniël 7:13, GR) - en niet de wederkomst naar deze aarde - was voorzegd in de profetie die in vervulling zou gaan aan het eind van de 2300 avonden en morgens in 1844. Onze Hogepriester gaat vergezeld van engelen het heilige der heiligen binnen en verschijnt vóór God om zijn bemiddeling ten gunste van de mens af te sluiten - om het onderzoekend oordeel te doen plaatsvinden en verzoening te doen voor allen die 'waardig geacht worden' " (GS, 443-444; cursivering toegevoegd).

"Op de grote dag van de definitieve verzoening en het onderzoekend oordeel zullen alleen de gevallen van Gods kinderen worden onderzocht. Het oordeel over de ongelovigen is iets heel anders en vindt later apart plaats" (GS, 444).

"Er is een 'gedenkboek' voor God geschreven, waarin de goede werken staan opgetekend van hen 'die de HERE vrezen en zijn naam in ere houden'. Hun woorden van geloof en hun daden van liefde staan in de hemel opgetekend. [...] In God gedenkboek staat elke goede daad voor eeuwig opgetekend. [...] Er is ook een boek met de zonden van de mensen" (GS, 444; cursivering toegevoegd).

"Wanneer de boeken in het oordeel worden geopend, gaat het leven van allen die in Christus hebben geloofd aan Gods oog voorbij. Eerst komen de eerste mensen die op aarde hebben geleefd aan de beurt. Daarna zal onze Voorspraak de gevallen van alle geslachten die na hen zijn gekomen stuk voor stuk in behandeling nemen en Hij eindigt met de mensen die nog in leven zijn. Elke naam wordt afgeroepen en elk geval wordt nauwkeurig onderzocht. Bepaalde namen worden aangenomen, andere worden verworpen" (GS, 446).

"De gelovigen die op de aarde zullen leven wanneer er een einde komt aan Christus' verzoening in het hemelse heiligdom zullen zonder middelaar voor een heilige God staan" (GS, 397; cursivering toegevoegd).

"Bij de namen van allen die hun zonden hebben beleden en het verzoenend bloed van Christus hebben aangenomen, staat in de boeken des hemels genoteerd dat ze vergiffenis hebben ontvangen" (GS, 446).

"Het onderzoekend oordeel en de uitdelging van de zonden moet vóór de wederkomst zijn voltooid. Daar de doden moeten worden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven staat, is het uitgesloten dat de zonden worden uitgewist vóór het oordeel, waarop hun geval wordt onderzocht. Wanneer het onderzoekend oordeel heeft plaats gehad, zal Christus terugkomen en 'Hij zal zijn loon bij Zich hebben om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is' " (GS, 447-448).

"Zoals de priester de zonden op de kop van de zondebok overbracht nadat hij ze uit het heiligdom had verwijderd, zal Christus al deze zonden op Satan leggen daar hij de oorsprong en de aanstichter van de zonde is. De zondebok, die de zonden van Israël droeg werd weggezonden 'naar een onvruchtbaar land', zo zal Satan, die de schuldenlast van alle zonden zal dragen waartoe hij Gods volk heeft aangezet" (GS, 448).

"Zij (de gelovigen van 1844, GR) zagen ook in dat het zondoffer Christus symboliseerde, dat de hogepriester Christus als middelaar voorstelde en dat de zondebok een beeld was van Satan, de aanstichter van de zonde, op wie de zonden van de oprechte boetvaardigen uiteindelijk zullen worden gelegd. [...] Wanneer Christus door zijn eigen bloed de zonden van zijn volk uit het hemelse heiligdom wegdoet, zal Hij ze leggen op Satan, die bij de voltrekking van het vonnis de straf zal moeten dragen" (GS, 395).

"Op het tijdstip dat voor het oordeel was bepaald – het einde van de 2300 avonden en morgens in 1844 – begon het onderzoekend oordeel en het uitdelgen van de zonde. Allen die de naam van Christus hebben aangenomen, moeten aan een grondig onderzoek worden onderworpen. Zowel de levenden als de doden zullen worden geoordeeld 'op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken'. Zonden die men niet heeft beleden of waarmee men niet heeft gebroken, zullen niet worden vergeven en niet worden geschrapt uit de hemelse boeken, maar zullen getuigen tegen de zondaar op 'de dag des Heren' "(GS, 448).

"Het oordeel vindt nu plaats in het hemelse heiligdom. Dit werk is nu al vele jaren aan de gang. Binnenkort – niemand weet wanneer – zullen de levenden worden geoordeeld" (GS, 452).

In Patriarchen en Profeten schrijft Ellen White:

"Door het bloed van Christus, hoewel het den zondaar van de verdoemenis der wet verlost, wordt de zonde nog niet aanstonds uitgewischt; de schuld blijft staan tot op de grooten verzoendag" (PEP, 354).

Het onderzoekend oordeel is niet bijbels

De leer van het 1844, het hemels heiligdom en het onderzoekend oordeel wordt op vele punten door de Bijbel weersproken. In de Bijbel kunnen we namelijk het volgende lezen:

Christus pleit sinds zijn Hemelvaart, en niet pas sinds 1844, aan de rechterhand van God voor ons;

Marcus 12:36 - David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb.

Handelingen 7:55,56 - Maar hij (Stefanus), vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods. En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.

Romeinen 8:34 - Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.

Hebreeën 1:3 – Deze [...] heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.

Hebreeën 10:12-14 – Deze is echter, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door één offerande heeft hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.

Openbaring 3:21 - Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.

God weet wie van Hem zijn. Hij heeft geen jaren nodig om te bepalen wie het Koninkrijk mogen binnengaan en wie niet;

Johannes 10:14 – Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen mij.

2 Timotheüs 2:19 – En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen.

Jezus heeft met één offer aan het kruis volledige verzoening voor alle zonden gedaan. Hij hoeft niet doorlopend verzoening te doen. En onze zonden worden weggedaan wanneer wij daarover berouw hebben en om vergeving vragen. Daarvoor hoeven wij niet te wachten totdat wij aan de beurt zijn tijdens het onderzoekend oordeel;

Jesaja 43:25 – Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet.

Jesaja 44:22 – Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.

Handelingen 3:19 – Komt dan tot berouw en bekering opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren.

Johannes 19:30 – Het is volbracht!

Hebreeën 9:26-28 – Maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. […] Zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.

Hebreeën 10:10 – Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

1 Johannes 1:7 - … en het bloed van Jezus, zijn zoon, reinigt ons van alle zonde.

1 Johannes 1:9 - Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.

Gelovigen hoeven niet zonder middelaar voor God te staan.

Mattheüs 28:20 - En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding van de wereld.

Hebreeën 7:25 - Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.

Hebreeën 13:5b - Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.

Satan speelt geen rol bij het verlossingswerk. Alsof het verlossingswerk zonder Satan niet kon plaatsvinden!

Johannes 1:29 - De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie: het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

1 Petrus 2:24 - ... die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen.

Wij worden alleen behouden en niet veroordeeld door ons geloof in Christus en alleen uit genade. Wij kunnen daar zelf op geen enkele manier aan bijdragen door 'goede daden';

Johannes 5:24 – Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.

Romeinen 3:24 – ... en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

Romeinen 3:28 – Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.

Romeinen 8:1 – Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.

Romeinen 5:9 – Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.

Efeziërs 2:8-9: - Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.

Grote moeilijkheden

Zoals hiervoor is beschreven gaat '1844' op vele punten, zo niet alle, tegen de Bijbel in. Maar daarmee zijn de moeilijkheden niet voorbij. Om 1844, de leer van het hemels heiligdom en het onderzoekend oordeel, niet af te vallen en tot een uitvinding van de allereerste adventisten te maken, moet een adventist nogal wat veronderstellen. Hij of zij moet

aannemen dat de kleine horen in zowel Daniël 7 als 8 hetzelfde voorstellen, namelijk pauselijk Rome, terwijl het aantal verschillen groot is en de context anders aangeeft;

aannemen dat een avond- en morgenoffer gelijk staan aan een dag, die vervolgens vertaald kunnen worden in een jaar; waarmee genegeerd wordt dat beide woorden avond en morgen los van elkaar in de grondtekst worden gebruikt;

aannemen dat 2300 avond- en morgenoffers gelijk zijn aan 2300 dagen terwijl hiervoor in de hele Bijbel, inclusief Daniël 8:14, geen bewijs wordt gegeven;

aannemen dat in elke profetie dagen gelijk zijn aan jaren;

aannemen dat het dagelijkse offer niet meer werd gebracht vanaf 457 voor Christus, terwijl deze datum niets te maken heeft met het dagelijks offer;

aannemen dat het 'woord' (Daniël 9:25) een koninklijk decreet was, en dat deze afkomstig is van koning Artaxerxes;

aannemen dat de uitleg van het gezicht uit Daniël 8:14 pas in hoofdstuk 9 volgt, terwijl Daniλl van de waarheid ervan overtuigd was en daarom ziek werd en verbijsterd reageerde;

aannemen dat 490 jaar (de zeventig jaarweken) van de 2300 jaar zijn afgesneden, hoewel dit niet uit de teksten in Daniël 8 en 9 te herleiden is;

aannemen dat de 490 jaren en de 2300 jaren tegelijkertijd zijn begonnen;

aannemen dat aan het onderscheid dat in de tekst wordt gemaakt tussen de periode van 7 en 62 zeventallen voorbijgaan mag worden, door geen verklaring te geven voor de gebeurtenis na deze periode van 7 zeventallen;

aannemen dat de 'reiniging' van het heiligdom begon in 1844, terwijl Daniël 8:14 niets zegt over 'beginnen';

aannemen dat niet met het lijden en sterven van Christus maar pas vanaf 1844 zonden worden weggedaan, terwijl dit door de bijbel wordt tegengesproken;

aannemen dat de 'reiniging' van het heiligdom betekent dat het heiligdom werd gereinigd van de beleden zonden van de heiligen terwijl de tekst refereert aan de reiniging van de verontreiniging door Antiochus;

aannemen dat beleden zonden het hemelse heiligdom verontreinigen, terwijl dit niet zomaar een woonplaats is, maar het huis van God;

aannemen dat de 'reiniging' van het heiligdom hetzelfde is als beschreven in Leviticus 16;

aannemen dat de Grote Verzoendag in het hemelse heiligdom begon in 1844, en uitleggen waarom Christus daad van verzoening 18 eeuwen eerder plaatsvond;

aannemen dat er, net als in de aardse tabernakel, twee vertrekken zijn in het hemelse heiligdom en dat Christus in 1844 van het heilige naar het heilige der heilige ging;

aannemen dat wanneer het Nieuwe Testament zegt dat Christus voor Gods aangezicht kwam (Hebreeën 9:12), hiermee het heilige bedoeld word;

aannemen dat de Karaïtische kalender betrouwbaarder is dan de Rabbijnse kalender, en dat de Grote Verzoendag in 1844 in oktober werd gevierd, terwijl deze volgens beide kalenders in september werd gevierd.

Er zullen slechts weinige adventisten zijn die alle ins en outs van deze adventistische theorie zullen kennen. Er worden dan ook nogal wat aannames gedaan om tot het gewenste resultaat, voorkomen van gezichtsverlies omtrent 1844, te komen.

Wederkomst is niet te berekenen

De leer van het heiligdom en het onderzoekend oordeel is gebaseerd op de uitwerking van de vroege adventisten in het midden van de 19de eeuw. Zij voorspelden na enkele correcties dat de wederkomst van Christus in 1844 zou plaatsvinden. Na de Grote Teleurstelling is wanhopig gezocht naar een verklaring om het gezichtsverlies van de kerk te beperken. Deze verklaring is gevonden door op basis van verschillende aannames een koppeling te leggen tussen Daniël 8:14 en de Grote Verzoendag.

Omdat in de Bijbel staat dat de wederkomst van Christus niet te berekenen is, deze jongste dag komt immers als een dief in de nacht, is de basis - namelijk de berekening van het jaar 1844 - te veroordelen. Helaas heeft de Kerk van de Zevende-dags Adventisten toch door de eeuwen heen een aantal van haar fundamentele geloofspunten op deze berekening en leer gebaseerd.

Mattheüs 24:36 - Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.

Handelingen 1:7 - Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft.

1 Thessalonicenzen 5:1,2 - Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht.

Openbaring 16:15 - Zie, Ik kom als een dief.

Zie verder:
Nederlandse Geloofsbelijdenis Artikel 20-24, 26, 37

naar begin van document

Copyright © 2000-2007 G. Roelofs