Kies een pagina bij: of
7daweb.com
 De toestand van de doden laatste wijziging 3 april 2002 

voorpagina > tussentoestand

In tegenstelling tot de opvatting van de zevende-dags adventisten – doden verkeren in een onbewuste toestand tot de opwekking – spreekt de Bijbel over gelovigen die gelijk na hun dood bij Christus mogen zijn. Ze krijgen niet het eeuwige leven, maar hebben het eeuwige leven al ontvangen.

De doden rusten in het graf

Een onbewuste toestand

Volgens adventistische opvatting is de mens één geheel. De bestanddelen waaruit dit geheel bestaat zijn echter van elkaar afhankelijk. Als dit geheel bij de eerste dood uiteenvalt is een bewust bestaan niet meer mogelijk. De dood is voor alle mensen een toestand van onbewust zijn. […] De zevende-dags adventisten geloven dat de mens een van nature sterfelijk wezen is en dat de onsterfelijkheid afhangt van de vraag of men Christus al dan niet aangenomen heeft en dat de onsterfelijkheid bij de wederkomst van Christus aan de verlosten aller tijden zal worden verleend (Mandemaker, 1985, p. 29).

1 Corinthiërs 15:22-23 – Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.

1 Corinthiërs 15:51-54 – Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid heeft aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.

Adventisten geloven niet in een onsterfelijke ziel. Wie overlijdt rust in het graf totdat Christus terugkomt. Op dat moment worden de graven geopend en de doden opgewekt om samen met de levenden geoordeeld te worden ('Waar halen ze in Godsnaam hun optimisme vandaan?').

De dood die het lot is van ieder mens is […] een voorlopige toestand van onbewust-zijn. De Bijbel legt er herhaaldelijk en uitdrukkelijk de nadruk op, dat deze tussen-toestand een toestand van onbewust-zijn is. De volgende bijbelsteksten worden door de adventisten ter staving van hun opvatting geciteerd: (Mandemaker, 1985, p. 31).

Jesaja 38:18: – Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw.

Psalm 146:3,4 – Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.

Psalm 115:17 – Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald.

Job 14:21 – Zijn zonen mogen tot ere komen, maar hij weet het niet; of komen zij tot lage staat, hij bemerkt niets van hen.

Prediker 9:5 – De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten.

Prediker 9:10b – Er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat.

Zij beroepen zich verder op de bijbelteksten die van de dood als van een "slaap" spreken, omdat zij in deze metafoor een aanwijzing vinden dat de doden geen bewust-zijn hebben (Mandemaker, 1985, p. 31).

Job 7:21b – Want weldra zal ik nederliggen in het stof; dan zult Gij mij zoeken, maar ik zal niet meer zijn.

Job 14:10-12 – Maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven? Zoals water verdampt uit een meer en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.

Johannes 11:11,13 – Zo sprak Hij en daarna zeide Hij tot heb: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaapt te wekken. […] Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood.

1 Corinthiërs 15:17-18 – Indien Christus niet is opgewekt […] Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus

In de gelijkenis van de rijke man die in het dodenrijk zijn ogen opslaat en Lazarus in de schoot van Abraham ziet (Lucas 16:23), gaat het niet om uitspraken over de toestand van de mens in de dood. Het zijn dichterlijke beelden die het onherroepelijke van de dood ter sprake brengen (Bijbelgids voor de Sabbatschool 102/2, 1999, p. 85).

Lucas 16:23 – Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot.

Volgens adventistische opvatting gaat het hier om een gelijkenis, waarbij Jezus de onjuiste, maar gangbare voorstelling van de Farizeeën over de toestand van de doden gebruikt om Zich voor de mensen begrijpelijk uit te drukken. Deze Farizeïstische voorstelling was gebaseerd op wat Josefus over de Hades heeft geschreven. Hij beschrijft de Hades al een plaats waar de zielen van alle mensen, rechtvaardigen en onrechtvaardigen, bewaard blijven totdat zij op de door God vastgestelde tijd opgewekt worden uit de dood. De Hades bevindt zich onder het aardoppervlak en is gehuld in donkerheid. Daar bevindt zich volgens Josefus een onuitblusbare vuurzee waarin de goddelozen uiteindelijk zullen worden geworpen (Mandemaker, 1985, p. 79; cursivering toegevoegd).

Overige opmerkingen

Het probleem in de tekst uit Lucas, waarin Jezus de misdadiger het paradijs belooft, is de komma, die evengoed achter "heden" als ervoor geplaatst mag worden. Die komma is namelijk niet oorspronkelijk. In de Griekse taal kende men dat leesteken niet (Bruinsma, 1978, p. 94).

Lucas 23:43 – En Hij zeide tot hem (de misdadiger): Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.

Zie verder:
Fundamentele geloofspunten ZDA nr. 25

Gelovigen mogen gelijk na hun dood bij Christus zijn

Het Oude Testament

De vraag of Israël geweten heeft van een leven na de dood, wordt vaak ontkennend beantwoord. In het Oude Testament gaan leven en loven samen. Het leven is er om God te loven en hoe zou dat in de staat van de dood mogelijk zijn?

Job 7:21 – Want weldra zal ik nederliggen in het stof; dan zult Gij mij zoeken, maar ik zal niet meer zijn.

Prediker 3:20 – Want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof.

Psalm 115:17 – Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald.

Jesaja 38:18,19: – Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw. De levende, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe.

Maar het laatste woord is niet aan de dood en het dodenrijk, maar aan God (Van Genderen en Velema, 1992, p. 748).

1 Samuël 2:6 – De HERE doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.

Psalm 49: 16 – Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen.

Psalm 73:24 – Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen.

Jesaja 26:19 – Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk -, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt gij die woont in het stof!

Daniël 12:2 – Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.

In hoofdstuk 12 laat Prediker zien wat er gebeurt als de mens oud wordt. Langzamerhand komt de aftakeling: het lopen gaat niet meer zo god; de ogen gaan achteruit. […] Tenslotte gaat de mens dan naar zijn eeuwig huis; de rouwklagers gaan rond; het leven hier op aarde is ten einde. Maar dan horen we ook van de schrijver van dit boek dat hij weet dat het sterven niet het laatste is. O ja, het lichaam keert weer naar de aarde en vergaat – het wordt tot stof. Maar hij weet ook: "De geest keert weer tot God, die hem geschonken heeft." […] Sterven, begraven worden is wat we zien. Maar wat we niet zien, gebeurt toch: de levensgeest gaat naar God (Timmerman, 1992, p. 15).

Prediker 12:5 – Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat.

Prediker 12:7 – En het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

Het Nieuwe Testament

"De toekomst staat in het Nieuwe Testament in het licht van de opstanding van Christus. Op grond van dit heilsfeit verwachten wij de opstanding op de jongste dag. Maar er is ook een voortleven na de dood" (Van Genderen en Velema, 1992, p. 749).

Lucas 20:37,38 – Maar dat de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid, waar hij de Here noemt de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.

Lucas 23:43 – En Hij zeide tot hem (de misdadiger): Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.

Filippenzen 1:23 – Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.

2 Corinthiërs 5:1 – Want wij weten, dat, indien aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

2 Corinthiërs 5:6-8 – Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen - Maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.

God is niet een God van doden, maar van levenden. Kijk maar na in het boek Exodus, zegt Christus. Abraham en Isaäk en Jakob zijn allang gestorven. En je zou misschien verwachten dat de Here zei: Ik was de God van Abraham. Maar de Here zégt: Ik ben de God van Abraham. Tegenwoordige tijd. Hij is het nóg, ook na het sterven van Abraham. Dat betekent dat Abraham, na zijn sterven, lééft (Timmerman, 1992, p. 19).

Mattheüs 22:31-32 – Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden.

Hoe dan ook, we blijven verbonden aan Christus. Het is zeker dat de gelovigen in de tijd tussen hun sterven en hun opstanding delen in het leven met Christus.

"Gods liefde is een eeuwige liefde. Als God ons in Christus in zijn liefde heeft opgenomen, is het onbestaanbaar, dat er iets tussenkomt. [...] Wanneer God een mens opneemt in zijn liefdevolle gemeenschap, doet Hij dat niet om die gemeenschap met het sterven te laten ophouden. Dankzij de opstanding ten leven zal het leven in zijn volle heerlijkheid opbloeien" (Van Genderen, 1998, p. 31).

Romeinen 8:38,39 – Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

Handelingen 7:59 – En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest.

Johannes 11:25,26 – Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?

"Johannes zag in Openbaring 6 de zielen van martelaren onder het altaar in de hemel. Het gaat over gelovigen die het leven op aarde achter zich hebben en naar de voleinding verlangen. Hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal van hun mededienstknechten vol zou zijn. Zij ontvingen al wel witte gewaden. Zo wordt de rust en vrede aangeduid, die zij mogen genieten als steun in het wachtend en verwachtend uitzien naar de volle heerlijkheid" (Van Genderen en Velema, 1992, p. 750).

Openbaring 6:9,11 – En toen Hij het vrijde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij.

Andere teksten die aangeven dat gelovigen na de dood bewust voortleven

Genesis 5:24 – En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.

2 Koningen 2:1,11 – Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. […] Alzo voer Elia in een storm ten hemel.

Mattheüs 17:3 – En zie, hun (Jezus, Petrus, Jacobus, Johannes) verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.

Lucas 16:23 – Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot.

Jezus geeft ons in de vertelling van de rijke man en de arme Lazarus geen uitgewerkte leer over de z.g. tussentoestand, de tijd tussen sterven en opstanding. De strekking van de gelijkenis is er immers op gericht, dat de manier van geldbesteding vandaag gevolgen heeft voor na dit leven. Toch ontvangen de hoorders in verband met die strekking zijdelings informatie over wat er direct na het sterven gebeurt. Want het moment van sterven is het grote keerpunt. Jezus illustreert in de gelijkenis wat Hij tevoren onomwonden had gezegd over wat er direct na het sterven gebeurt: op hetzelfde moment dat het geld wegvalt (bij het sterven), worden wij gastvrij opgenomen in eeuwige tenten (Trimp, 1990, p. 52).

Lucas 16:9 – En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten.

Jezus zou deze voorstelling van de toestand van de doden nooit gebruiken wanneer het een onjuiste voorstelling van de Farizeeën en de Sadduceeën was geweest. In dat geval was Hij juist keihard tegen hen ingegaan om dit misverstand uit de wereld te ruimen. Denk aan de confrontaties tussen Jezus en de Farizeeën en Sadduceeën over onderwerpen als hun leer in het algemeen (Mattheüs 16:5-12) en hun leer over de opstanding (Mattheüs 22:23-33).

Mattheüs 16:5-12 – Jezus zeide tot hen: Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën. […] Toen zagen zij in, dat Hij hun niet gezegd had zich te wachten voor de zuurdesem [der broden], maar voor de leer der Farizeeën en Sadduceeën.

Mattheüs 22:23-33 – Op die dag kwamen enige Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is. […] Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, want hij kent de Schriften niet noch de kracht Gods.

Dat de gestorven mannen in de vertelling elkaar zien, zegt nog niet dat ze elkaar lichamelijk herkennen. Gestorven geesten hebben geen lichaam, maar zijn ook weer niet onzichtbaar. Ze zien eruit als mensen in een bepaalde gedaante.

Lucas 9:30-31 – En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Mozes en Elia. Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen.

Romeinen 6:23 - Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

En we sterven maar één keer.

Hebreeën 9:27,28 – En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo al ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.

De ziel is niet onsterfelijk

De synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland deed in 1942 een uitspraak over het voortbestaan van de ziel na de dood, omdat dit in twijfel werd getrokken. Bij het sterven bestaat de ziel voort, hetzij in de gemeenschap met Christus zaligheid genietend, hetzij in de rampzaligheid lijdend. Op de jongste dag zullen de gelovigen naar ziel en lichaam eeuwige zaligheid ontvangen, maar de ongelovigen zullen overgegeven worden tot een voortbestaan in eeuwige rampzaligheid.

Omdat de mens als schepsel van God een eenheid is, moeten wij een verhouding van ziel en lichaam als een onsterfelijk en sterfelijk bestanddeel afwijzen. Wie een natuurlijke onsterfelijkheid van de ziel aanneemt, gaat voorbij aan de ernst van de dood, die niet alleen het lichaam raakt (Van Genderen en Velema, 1992, p. 745).

In de Heidelbergse Catechismus (zondag 22) wordt gesproken over de opneming van de ziel tot Christus en de toekomstige vereniging van lichaam en ziel. Dit moet men niet als een tweedeling zien. Het sluit aan bij het gewone spraakgebruik, dat in de tijd van de Reformatie algemeen was en dat ook in de Bijbel voorkomt. Het is niet de bedoeling van de belijdenis om ons te binden aan een bepaalde antropologische terminologie. Onze belijdenisgeschriften trachten geen beschrijving te geven van het leven tussen sterven en opstanding. De nadruk in de Catechismus ligt op het dat we bij Christus zijn na ons sterven en niet op het hoe.

Mattheüs 10:28 – En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.

Het leven met Christus in het Vaderhuis

We kunnen spreken van twee elementen tussen sterven en opstanding: het is rusten en wachten. De zaligheid vangt na dit leven aan, maar er is meer te verwachten. Het gaat naar de eeuwige heerlijkheid toe. De gemeenschap met Christus wordt niet onderbroken. Het leven in de gemeenschap met Christus is een leven in het Vaderhuis. Dit berust op de nieuwtestamentische gedachte, dat de Geest ons als eerste gaven en waarborg geschonken is. Daarom mogen wij de volheid van wat al gegeven is, met zekerheid verwachten (Van Genderen en Velema, 1992, p. 753).

De verwachting van de gelovigen is in haar geheel in Christus gefundeerd. Ze is gericht op het altijd met de Here zijn en op het met Christus zijn na dit leven. Onze verwachting richt zich dus niet op de zaligheid in de hemel of op de heerlijkheid bij de voleinding, maar op Christus, die ons leven is. Hij geeft ons leven, nu, straks en eeuwig.

Het leven in de gemeenschap met Christus is een leven in het Vaderhuis. Hij is immers bij zijn Vader. Hij heeft de zijnen in het vooruitzicht gesteld, dat zij zullen zijn waar Hij is (Johannes 14:1-14).

Johannes 3:36 – Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

Filippenzen 1:23 – Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.

1 Thessalonicenzen 4:17 – Daarna zullen wij, levenden die achterbleven, samen met hen (de ontslapenen) op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.

Doden slapen niet

"In deze tijd komt de voorstelling van een voortleven in slapende toestand ook wel voor. Sommigen verwijzen daarvoor naar de bijbelse woorden 'slapen' en 'ontslapen', maar daarmee wordt geen inhoudelijke verklaring gegeven van de wijze van voortbestaan na de dood" (Van Genderen en Velema, 1992, p. 752).

"Als in de Bijbel over slapen gesproken wordt, terwijl het over de dood gaat, is dat niet zo verwonderlijk. We hebben dan met een eufemistisch gebruik van het woord 'slapen' te doen, dat heel algemeen was. Gezien de indruk die een dode maakt, is de keuze van dit woord begrijpelijk. Een verklaring van de wijze van voortbestaan na de dood is er niet mee gegeven. Andere bijbelse gronden voor de leer van een zielenslaap, die een onbewuste of halfbewuste toestand zou zijn, zijn er evenmin. We kunnen het ook van de positieve kant benaderen. Er is de gelovigen veel meer in het vooruitzicht gesteld dan dat zij slapend moeten wachten" (Van Genderen, 1998, pp. 38-39)!

"Als het gaat over de wijze van leven na de dood, blijven er vragen over. Maar zeker is, dat de gelovigen in de tijd tussen hun sterven en hun opstanding delen in het leven met Christus. Dat bedoelen we, als we zeggen, dat Gods kinderen naar de hemel gaan" (Van Genderen, 1998, p. 32).

Zie verder:
Heidelbergse Catechismus Zondag 20-22
Nederlandse Geloofsbelijdenis Artikel 33,35

naar begin van document

Copyright © 1999-2007 G. Roelofs