|
voorpagina > vernietiging
deze pagina bevat 2 verwijzingen naar andere pagina's
Zevende-dags adventisten gaan, op grond van hun interpretatie van de in de Bijbel gebruikte woorden hel en eeuwig, uit van de vernietiging van de goddelozen. Volgens hen zal God niet veroordelen tot eeuwige rampzaligheid. De Bijbel en ook Jezus zelf spreken echter nadrukkelijk van een eeuwige straf en het ver van God zijn voor hen die Hem niet willen volgen.
Vernietiging van de goddelozen
Aan het eind der duizend jaren vinden de volgende gebeurtenissen plaats:
| • | De opstanding der goddelozen |
| • | Het nederdalen van het Nieuwe Jeruzalem |
| • | Satan is door de opstanding der goddelozen niet meer gebonden en verleidt al zijn aanhangers om de heilige stad te bestormen. |
| • | Satan en de goddelozen worden geoordeeld. |
| • | De duivel en al zijn aanhangers worden door vuur verteerd en de aarde van de zonde gelouterd |
| • | De verwoeste aarde wordt herschapen in een heerlijke heilsstaat. |
Worden de goddelozen dan niet eeuwig in de hel gepijnigd? Deze vraag is begrijpelijk, omdat sommige Schriftuurplaatsen inderdaad over een "eeuwige" pijniging spreken. Tekstvergelijking maakt een onderzoek naar de betekenis van de woorden: hel en eeuwigheid noodzakelijk (Voorthuis, z.j., pp. 403-404).
De betekenis van het woord hel
Met hel omschrijft de Bijbel de plaats en de toestand van straf en vernietiging door vuur bij de tweede dood waardoor allen worden getroffen die God en het aanbod van het heil in Jezus Christus afwijzen. De vaak met "hel" vertaalde begrippen uit de grondtaal (Hebreeuws: sheol; Grieks; hades) hebben betrekking op de onzichtbare wereld, dat wil zeggen de wereld van de dood (Mandemaker, 1985, p. 77).
Het woord hades verschijnt elf keer. Het komt op veel oude grafstenen in Klein-Azië voor, waar het de uitdrukking is om het graf van degene die er begraven ligt te omschrijven (Mandemaker, 1985, p. 77). Enkele teksten waarin het woord hades voorkomt zijn:
Mattheüs 16:18 En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.
1 Corinthiërs 15:55 Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?
Het Griekse werkwoord tartaro (in de hel werpen) komt slechts één keer voor.
2 Petrus 2:4 Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan de krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren.
De Griekse uitdrukking gehenna betekent een plaats van bestraffing en komt in het Nieuwe Testament twaalf keer voor. Het is afgeleid van het Hebreeuwse gehinnom ("dal van Hinnom"), waarmee een diepe vallei ten zuiden van Jeruzalem wordt bedoeld. Volgens Jeremia was het de plaats waar op een gruwelijke, heidense manier kinderoffers aan de God Moloch werden gebracht (Mandemaker, 1985, p. 77).
Jozua 15:8 Vervolgens liep de grens op naar het dal Ben-Hinnom, naar de zuidelijke berghelling van de Jebusieten, dat is van Jeruzalem; dan liep de grens op naar de top van de berg, die westelijk tegenover het dal Ben-Hinnom aan het noordelijke uiteinde van de vallei der Refaïeten ligt.
2 Koningen 23:10 En hij (Josia) verontreinigde Tofeth, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand meer zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur zou doen gaan.
Jeremia 7:31,32 En zij hebben de hoogten van Tofeth gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen. Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet meer gezegd zal worden: Tofeth en dal Ben-Hinnom, maar: Moorddal; en men zal in Tofeth begraven bij gebrek aan plaats.
2 Kronieken 28:3 Ja, hij (Achaz) ontstak offers in het dal Ben-Hinnom en verbrandde zijn zonen met vuur in overeenstemming met de gruwelen der volken, die de HERE voor het aangezicht van de Israëlieten had verdreven.
Drie keer noemt Jezus in de bergrede het begrip gehenna (Mattheüs 5:22;29;30). Hij waarschuwt tegen hen die "lichaam en ziel kunnen verderven in de hel" (gehenna Mattheüs 10:28) en dreigt de Farizeeën met de straf van de hel (gehenna Mattheüs 23:33). Hij zegt, dat het beter is verminkt het eeuwige leven te ontvangen dan gezond van lijf en leden in de hel (gehenna) te worden geworpen. Uit Lucas 12:5 blijkt duidelijk dat de ervaring van de gehenna aan de andere zijde van de dood ligt (Mandemaker, 1985, p. 77).
Mattheüs 10:28 En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.
Mattheüs 23:33 Slangen, adderengebroed, hoe zult hij ontkomen aan het oordeel der hel?
Lucas 12:5 Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!
Over het hoe en wat van het hellevuur spreekt de Bijbel duidelijke taal. Alle drie onderstaande teksten hebben betrekking op het vuur van de jongste dag dat de goddelozen en al hun werken zal vernietigen (Mandemaker, 1985, p. 77).
Mattheüs 3:12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
Mattheüs 25:41 Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
Mattheüs 5:22 Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.
Dit vuur zal de aarde reinigen (Mandemaker, 1985, p. 77).
2 Petrus 3:10-12 Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort hij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten.
Lucas 3:17 De wan is in zijn hand om zijn dorsvloer geheel te zuiveren en het graan in zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
De betekenis van het woord eeuwig
Het woord "eeuwig" (Grieks: aionios) betekent letterlijk "gedurende een tijdsperiode", in de zin van een gelijkmatig voortduren zonder plotselinge veranderingen. De bedoelde duur hangt samen met de aard van de persoon of de zaak die wordt beschreven. In het Nieuwe Testament wordt zowel het lot van de goddelozen als het loon van de rechtvaardigen met aionios aangeduid. Als gevolg daarvan is het loon der rechtvaardigen een leven zonder einde, terwijl het loon van de goddelozen een eeuwig durende dood is (Mandemaker, 1985, p. 78).
Romeinen 6:23 Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.
Woorden als "eeuwigdurend", "eeuwig" en "voor altijd" zijn vertalingen van een Grieks woord dat "durend voor een tijd" betekent, in de zin van "voortgaand" en niet onderhavig aan verandering. De nadruk ligt op het blijvende van de gevolgen, niet op een proces dat eindeloos doorgaat. Eeuwig vuur betekent dus dat de gevolgen ervan nooit kunnen worden gekeerd. Het vernietigd geheel afdoende (Bijbelgids voor de Sabbatschool 102/2, 1999, p. 87).
In Openbaring 14 gaat het niet over eeuwig branden. De beeldspraak is ongeveer dezelfde als in Jesaja 34, waar gesproken wordt over het oordeel over de volken en over Edom. Wij weten goed dat Edom niet is blijven branden. Wanneer wij deze uitspraak toepassen op de dag des Heren, ook onze aarde kan niet blijven branden, want deze moet vernieuwd en de woonplaats worden van Gods kinderen. Ook Sodom en Gomorrha droegen de straf des eeuwigen vuurs. Ook deze steden zijn niet blijven branden. Eeuwig vuur bedoelt vuur dat eeuwig is in zijn gevolgen. Sodom en Gomorrha evenals Edom zouden nooit meer opgebouwd worden (De Ligne, 1972, p. 220).
Openbaring 14:10-11 Die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.
Jesaja 34:8-10 Want de HERE houdt een dag van wraak, een jaar van vergelding in Sions rechtsgeding. Zijn beken verkeren in pek, zijn stof in zwavel en zijn land wordt tot branden pek, dat dag noch nacht uitgaat; voor altijd stijgt zijn rook op, van geslacht tot geslacht ligt het woest, tot in alle eeuwigheden trekt niemand daardoor.
In vers 10 van Openbaring 20 staat letterlijk in de plaats van "in alle eeuwigheden": eis tous aionas tou aionon: tot de eeuwen der eeuwen, tot hun vernietiging voltrokken is. Wij moeten de uitdrukking nemen in haar verband. Dag en nacht toont dat hun lijden niet onderbroken wordt tot hun totale vernietiging (De Ligne, 1972, p. 287; cursivering toegevoegd).
Openbaring 20:10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden.
Elk gevoel van goedheid, barmhartigheid en rechtvaardigheid wordt gekwetst door de leerstelling die zegt dat de ongelovigen na hun dood gepijnigd worden in een eeuwig brandende hel van vuur en zwavel, dat ze voor de zonden van een kort leven op aarde gekweld zullen worden zo lang God bestaat (White, 1985, p. 491).
Welk belang zou God erbij kunnen hebben als wij geloven dat Hij behagen schept in het aanschouwen van de eeuwige pijniging, dat Hij zich vermaakt over het kermen, schreeuwen en vloeken van de lijdende schepselen die Hij in de vlammen van de hel houdt? Kunnen deze afgrijselijke klanken muziek zijn in de orden van de oneindige Liefde (White, 1985, p. 492)?
Aanvullende teksten (Bijbelgids voor de Sabbatschool 102/2, 1999, p. 92)
Psalm 37:9 Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de HERE verwachten, zij zullen het land beërven.
Psalm 37:20 Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde, de vijanden des HEREN zijn als de pracht der landouwen: zij vergaan, in rook vergaan zij.
Psalm 37:34 Wacht op de HERE en bewaar zijn weg, dan zal Hij u verhogen om het land te beërven, de uitroeiing van de goddelozen zult gij met vreugde zien.
Psalm 68:2-3 God staat op, zijn vijanden worden verstrooid, zijn haters vluchten voor zijn aangezicht. Gelijk rook verdreven wordt, verdrijft Gij hen; gelijk was smelt voor het vuur, zo vergaan de goddelozen voor Gods aangezicht.
Psalm 104:35 De zondaren zullen van de aarde vergaan, en de goddelozen zullen niet meer zijn.
Psalm 145:20 De HERE bewaart allen die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddelozen.
Jeremia 17:27 Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te heiligen en op de sabbatdag geen last te dragen en binnen te komen door de poorten van Jeruzalem, dan zal Ik een vuur ontsteken in zijn poorten, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust.
Mattheüs 13:30 En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.
Mattheüs 13:40 Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding van de wereld.
Hebreeën 2:14 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen.
Zie verder:
Eeuwige straf voor de goddelozen
Het lot van de goddelozen is eeuwige straf
Het louterend vuur van Gods gericht gaat over het leven van zijn volk. Hun heiliging komt in het gericht van God en het zal blijken, of zij op goede wijze gebouwd hebben op het fundament, Jezus Christus (Van Genderen en Velema, 1992, p. 785).
1 Corinthiërs 3:11-15 Want een ander fundament, dan er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken. Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.
Zo voltrekt zich een grote scheiding (Van Genderen en Velema, 1992, p. 785).
Johannes 3:36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Daniël 12:2 - Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.
Johannes 5:29 En zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.
Mattheüs 13:40-43 Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!
Er is niet alleen eeuwig leven, maar ook eeuwige straf (Van Genderen en Velema, 1992, p. 785).
Mattheüs 25:46 En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.
Over de bezwaren die zijn ingebracht tegen de eeuwige straf het volgende (Van Genderen en Velema, 1992, pp. 786-788), waarbij in schuingedrukte tekst op deze bezwaren wordt ingegaan:
| • | Het is psychologisch ondenkbaar; |
| Dit argument is zwak. Er wordt geredeneerd naar menselijke gevoelens waaraan dan meer gezag wordt toegekend dan aan wat de Bijbel, dus God zelf zegt.
|
| • | Het is in strijd met Gods liefde;
| | Gods liefde is wel een heilige liefde, Hij kan het niet verdragen dat zijn liefde wordt afgewezen en versmaad. Juist Jezus Christus, in wie God zijn liefde ten volle heeft geopenbaard, sprak met grote nadruk over het eeuwige oordeel.
| | Mattheüs 8:12 Maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn het en tandengeknars.
| | Mattheüs 10:28 En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.
| | Mattheüs 13:41-42 De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonder verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
| | Mattheüs 25:41 Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
|
| • | Het is niet rechtvaardig, dat op de zonde, die een beperkt en tijdelijk karakter draagt, een eeuwige straf volgt;
| | Gods liefde en Gods genade zijn niet met menselijke maatstaven te meten en zijn gerechtigheid evenmin. Wij moeten ervoor waken om op grond van ons rechtsgevoel aanmerkingen te maken op de gerechtigheid van God.
| | Romeinen 9:14 Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!
|
| • | Het woord "eeuwig" betekent niet altijd: eindeloos, want het kan in de Bijbel ook een lange tijd aanduiden. |
| Het woord betekent soms een lange tijd, maar dikwijls betekent het eeuwig en definitief zoals in Mattheüs 25:46 (het eeuwige leven tegenover de eeuwige straf). Dat het verderf eeuwig is, komt ook op andere plaatsen naar voren.
| | 2 Thessalonicenzen 1:7-9 En aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht, in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoord hebben. Dezen zullen boeten met eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte.
| | Openbaring 14:10-11 Die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.
| | Openbaring 20:10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden.
|
De goddelozen zullen onsterfelijk worden, om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur.
Hebreeën 10:27 Maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren.
2 Petrus 2:9 Dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag des oordeels te straffen.
Jesaja 66:24 Zij zullen uitgaan en de lijken aanschouwen van de mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen.
Mattheüs 18:8-9 Indien uw hand of uw voet u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg. Het is beter voor u verminkt of kreupel ten leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog ten leven in te gaan, dan met twee ogen in het hellevuur geworpen te worden.
Mattheüs 3:12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
Lucas 16:23-28 Lazarus in Abrahams schoot, en de rijke die van verre ziet en pijn lijdt. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen.
Openbaring 21:8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.
Want God laat de ongerechtigheden niet ongestraft (Heidelbergse Catechismus - Zondag 4). God neemt de zonden die begaan zijn serieus.
Nahum 1:2-3 - Een naijverig God en een wreker is de HERE, een wreker is de HERE en vol van grimmigheid; een wreker is de HERE voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden. De HERE is lankmoedig, doch groot van kracht, en de HERE laat geenszins ongestraft.
Marcus 3:28-29 Voorwaar, Ik zeg u, dat alle zonden aan de kinderen der mensen zullen vergeven worden, ook de godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; maar wie gelasterd heeft tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde.
Romeinen 1:18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
Efeziërs 5:6 Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
Galaten 3:10 Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Hebreeën 10:29-31 - Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft? Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!
Dat eeuwige straf onrechtvaardig, ondenkbaar of in strijd met Gods liefde zou zijn, betekent nog niet dat dit zo is. Gods gedachten zijn door ons niet altijd te begrijpen. En God blijft nadrukkelijk op de twee verschillende wegen wijzen die een mens gaan kan.
Jesaja 55:8,9 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten.
Romeinen 11:22 Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.
De hel
Het is niet moeilijk om ons een voorstelling te maken van de hel. Het vuur doet denken aan het ondergáán van de toorn van God; de buitenste duisternis is het teken van het door God verlaten zijn; in het buiten zijn komt de uitsluiting van de gemeenschap met God en zijn volk tot uitdrukking en het geween en het tandengeknars duiden de wroeging en het zelfverwijt aan (Van Genderen en Velema, 1992, p. 790).
Het geween is een aanduiding voor het ondraaglijke lijden, dat ze bewust ondergaan en waarbij ze uit wroeging en wanhoop de tanden tegen elkaar slaan (Trimp, 1990, p. 25).
Mattheüs 22:13 Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
Openbaring 22:15 Buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet.
Mattheüs 24:48-51 Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
Het branden van zwavel spreekt van duisternis en benauwing (Greijdanus, 1955a, p. 287).
Openbaring 9:17-18 En aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel. Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood: door het vuur en de rook en de zwavel, die uit hun bek kwamen.
Openbaring 14:10 Die ook zal drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam.
Uit de genoemde teksten blijkt, dat de omschrijvingen van de hel sterk van elkaar verschillen en hierdoor onmogelijk tot één geheel samengevat kunnen worden. Daaruit mogen we afleiden, dat we hier telkens met beeldspraak te doen hebben. Dat wil zeggen, om het afschuwelijke van de hel iets duidelijk te maken, wordt daarover gesproken met behulp van realiteiten die wij in hun afschuwelijkheid kennen. De omschrijvingen zijn slechts benaderingen. Maar daarin komt in elk geval dit naar voren, dat de hel een plaats is, waar God de niet-gelovigen tot in eeuwigheid afstraft voor hun ongehoorzaamheid aan Hem (Van der Leest, 1984, p. 78).
Teksten waarin de hel wordt genoemd
Mattheüs 5:22 Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.
Mattheüs 5:29-30 Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.
Mattheüs 23:15 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.
Mattheüs 23:33 Slangen, adderengebroed, hoe zult hij ontkomen aan het oordeel der hel?
Marcus 9:43-44 En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
We hoeven onze emotionele moeiten niet maar te laten voor wat ze zijn. Terwijl de Bijbel het bestaan van de hel benadrukt, biedt hij ons tegelijk hulp om met onze moeite op dit punt om te gaan. De Bijbel doet dat door ons voor te houden, dat we het vonnissen van mensen met een gerust hart aan God kunnen overlaten. Gelet op de aard van God hebben we daarvoor alle reden (Van der Leest, 1984, p. 79).
Want God is rechtvaardig, ook in die zin dat Hij in zijn eindvonnis rekent met ieders situatie. Zo neemt God het ongeloof van kerkmensen die het weten kunnen, veel hoger op dan de goddeloosheid van de heidenen (Van der Leest, 1984, p. 79).
Mattheüs 11:20-24 Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor u.
Lucas 12:47-48 Die slaaf nu, die de wil van zijn heer kende en geen toebereidselen getroffen heeft, of niet gedaan heeft naar de wil van zijn heer, zal vele slagen ontvangen. Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.
God is ook barmhartig, ook in dit opzicht dat Hij niet graag meedogenloos laat boeten. Dat is bijvoorbeeld gebleken uit Gods houding tegenover Israël en Ninevé (Van der Leest, 1984, p. 79).
Hosea 11:8-9 Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adama, u maken als Zeboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven.
Jona 4:11 Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?
Kortom, als God mensen tot de hel veroordeelt, weet Hij wat Hij doet. Dat moet voor ons beslissend zijn, wat voor moeiten de hel ook bij ons mag losmaken (Van der Leest, 1984, p. 79).
Overige opmerkingen over het woord eeuwig
Juist de combinatie van de woorden eeuwigheden en dag en nacht in de twee teksten in Openbaring (14:11 en 20:10) geeft aan dat de pijniging en onrust niet van voorbijgaande aard zijn. De uitdrukking dag en nacht staat voor onophoudelijk.
Lucas 18:7 Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot hem roepen, en laat Hij hen wachten?
De goddelozen wacht toorn, gramschap, verdrukking en benauwdheid. Dit kan alleen wanneer zij niet worden vernietigd. Bovendien zal hun worm niet sterven, er blijft een voedingsbodem over. Zou het vuur vernietigend zijn, dan zou ook de worm sterven.
Romeinen 2:8,9 Maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt.
Marcus 9:48 Het is beter, dat hij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
Zie verder:
|